maandag 10 september 2018

Een lijk in de Aa

Bellingwolde – Winschoten - Amsterdam 1908

Het belooft een warme zomerdag te worden. In de nog koele ochtend ziet dagloner Aldert Smit het drijven. 't Is bij de brug van Gastman over de Westerwoldse Aa, net onder Bellingwolde, en het ziet eruit 'als een mensch'. Hij haalt zijn broer erbij en samen trekken ze – kiel voor de neus – inderdaad een lichaam uit het water. Aldert spoedt hij zich naar burgemeester Pieter Laurens Dinkla Edz[1]. en neemt hem mee naar de plek des onheils. De burgervader verordonneert broer Eppo een kar te halen en het lichaam direct naar het lijkenhuis te brengen. Zelf gaat hij terug naar het gemeentehuis om deze onverkwikkelijke kwestie verder af te handelen. Hij vraagt de Officier van Justitie in Winschoten per telegram om instructies, verzoekt dorpsarts Duijntjer vriendelijk maar dringend om spoedigst een lijkschouw te organiseren en seint alvast zijn collega's in de buurgemeenten in. Is er iemand vermist? Het is 20 augustus 1908, het is 24, bijna 25 graden en in de Aa is een lijk gevonden

Figuur 1: Balkenbrug (ook: 'hooibrug', in de volksmond) over de westerwoldse Aa vóór de kanalisering


doodschouw
Nog op dezelfde dag vindt in het lijkenhuis naast het kerkhof een 'doodschouw' plaats. In
aanwezigheid van rijksveldwachter Haarman, dorpsveldwachter Veldman en doodgraver Van der Mark ontkleden de arts en zijn assistente 's middags net na drieën de drenkeling.

Het lijk is 'wankleurig', het gezicht al helemaal zwart. Her en der zijn flinke blazen; daar laat de huid al heel gemakkelijk los. Het gaat om een kleine, donkerharige man met een keurig gesneden donkere ringbaard. Leeftijd onbekend, maar waarschijnlijk van middelbare leeftijd – veertig of daaromtrent. Een band wijst op een liesbreuk; zijn lid op 'ritueele circumcisie' - besnijdenis dus. Er zijn geen sporen van geweld aan hoofd of handen, dus waarschijnlijk is de man verdronken.

Na binnenkomst van het autopsieverslag maakt burgemeester Dinkla proces verbaal op. Hij beschrijft de dode nu níet als klein, (ca. 1.70), maar wel als 'tamelijk gezet, met een breed aangezicht en eene dikke neus' . Bij z'n vondst is hij volledig gekleed in een blauw of zwart pak 'van goede Engelsche stof'. Aan z'n voeten zitten halfhoge laarzen ('bottines') met zilveren beslag. Aan elke hand draagt hij een dikke gouden ring - later zal de smid die van z'n handen moeten halen… Er is een horlogeketting zonder horloge, een lorgnet, een lege sigarenkoker. Twee zakdoeken en een knevel. Er is geen portemonnaie, er zijn geen papieren, de kleren zijn niet gemerkt. De identiteit van het lijk is en blijft onbekend. Hoogstwaarschijnlijk is de man verdronken. Alles wordt in beslag genomen – op de zakdoeken na.

 
heer
Ook in 1908 kan communicatie – via de telegraaf - verbazend snel gaan. o.a. Het Haarlems Dagblad meldt op 21 augustus dat […] "onder Bellingwolde (Gr.) het lijk [is] opgehaald van een tot heden onbekend heer van 35 à 40 jaar, gekleed, met horloge en gouden sieraden, die wellicht reeds voor eenige dagen in de AE den dood gevonden heeft." Opvallend aan het bericht is natuurlijk het horloge: gevonden is wel een tinnen ketting, maar géén klok. 


Figuur 2: Annonce Haarlems Dagblad 21-081908

 
Al op dezelfde dag neemt commissaris Aart Jacob Marcusse uit Amsterdam contact op met Dinkla.[2] Bij hen heeft zich de weduwe G. Lorist gemeld, uitbaatster van een logement voor alleenstaande mannen aan de Bilderdijkkade[3]. Een van haar huurders is 22 juli op reis gegaan, naar hij zei om zich in Utrecht voor ziekte te laten behandelen. Maar hij is nooit meer teruggekomen. Het signalement – heer met horloge en sieraden – lijkt te kloppen. Alleen: haar huurder is niet veertig maar tegen de zeventig. En hij schuldt haar nog fl. 27,50 aan huur… De Amsterdammers vragen en krijgen meer details over de man en zijn bezittingen. Ze overleggen met de weduwe en sturen diezelfde dag om 15.59 een telegram terug. Geen twijfel mogelijk: dit is Joseph Montezinos, geboren in 1839 te Amsterdam. Weduwnaar. Geen verwanten bekend.

streng
Ook de twee veldwachters zitten intussen niet stil. Navraag van 'rijks' Haarman in Winschoten levert op dat het heerschap daar gezien is. Onder de naam J. Streng, zo blijkt, heeft hij drie weken een onderkomen gevonden bij slaapsteehouder Kroeze. Hij is op bezoek geweest bij pottenbakker Zuidema, die hem nog van vroeger kent.[4] De zoon van Zuidema heeft al aan agent Bakker verteld dat hij in het echt niet Streng, maar Montezinos heet. Op 13 augustus is hij tussen 11 en 12 te voet op pad gegaan, en nooit meer teruggekeerd. In het logement in Winschoten staat nog een koffer met kleren. Ook vinden ze er het missende horloge, een portemonnaie, een plaatje dat bij de sigarenkoker hoort en een derde gouden ring.
 
In Bellingwolde, zo merkt dorpswachter Veldman, komen intussen de geruchten op stoom. Horlogemaker Hoormann herinnert zich opeens dat de dode vorige week én een horloge én een gouden ring aan hem wilde verpanden. In het dorp wordt al gefluisterd dat de 'rijke Jood' 'overal' veel kostbaarheden heeft verkocht voor weinig geld… Wat er van die geruchten waar is, blijft ongewis. Ook de toedracht van de dood van Joseph lijkt er inmiddels niet meer toe te doen. Nu vast staat wie hij is en er geen verwanten schijnen te zijn, kan hij snel begraven. De staat van het lijk en het warme weer nopen daartoe, zeker. Maar is de onderste steen al boven?
 
Hoe dan ook timmert de doodgraver op 22 augustus voor acht guldens een armenkist – zes gulden hout, twee gulden arbeidsloon - en zet Joseph Montezinos voor nog eens twee gulden eenzaam bij op de algemene begraafplaats van Bellingwolde. Uit een – niet beantwoorde - brief van Bram Mendes da Costa, secretaris van de Portugees-Israëlitische Gemeente van Amsterdam is gebleken dat ook zij déze Montezinos niet kennen…


Figuur 3: Vinden lijk onbekend manspersoons. Archiefmap 398, 1908. Archief gemeente Bellingwedde
vader
Joseph Montezinos komt op 5 januari 1839 in Amsterdam ter wereld. Hij is het achtste kind van Izaak van Izaak Levie Montezinos (1800 – 1854) en Johanna Maria van der Streng Cerffontain (1799 – 1859)[5]. Dat klinkt als een chique mond vol, maar de schijn bedriegt. (De) Montezinos is een sefardisch geslacht dat in de 17e eeuw in Amsterdam is beland. Dat heeft rabbijnen en schriftgeleerden voortgebracht, maar Izaak de oudere (1779 – 1858) is muzikant geworden. Izaak de jongere wordt toneelspeler – of zoiets.
Op reis door het land bezwangert hij Johanna Maria, dochter van een tuinier in Winschoten – een goj dus.[6] Ongetrouwd nemen ze de benen naar Amsterdam, waar in 1822 hun eerste dochter Naatje geboren wordt. Daarna keren ze terug naar Sodom,[7] waar de meeste van hun negen kinderen het levenslicht zien.[8] Izaak scharrelt zijn kostje bij elkaar als toneelspeelder, als kunstenaar, als korporaal,[9] als inlandsche kramer[10] en tenslotte als stokbewaarder, dat wil zeggen, als cipier in de gevangenis in Winschoten. Trouwen doen ze pas in 1839, een half jaar nadat Joseph – waarschijnlijk op familiebezoek – geboren is. Eén broer (ook een Joseph) en drie zussen (Niesje en tweemaal een Abigaël) zijn dan al overleden. De andere kinderen worden – zoals dat in de volksklasse vrij gebruikelijk was – bij het huwelijk alsnog geëcht.
 
 
zoon
Met drie zussen en een zusje groeit Joseph wettig op in Winschoten. De gezusters schieten er wortel: de oudsten trouwen met arbeiders uit Winschoten en Sappemeer, de jongste blijft haar hele leven dienstmeid, ook in Sappemeer. Armoe troef. Maar Joseph gaat in de leer. Hij is vijftien als zijn vader overlijdt, twintig bij de dood van zijn moeder. Ergens in die tijd in wordt hij knecht bij een zilversmid, mogelijk in Winschoten, bij Zuidema, mogelijk ook direct in de stad – in Groningen dus. In ieder geval trouwt hij in 1870 daar, op z'n 31e pas, met de twee jaar jongere Gelina Gezina de Jager uit Appingedam. Als getuigen treden handwerkslieden op, een bekende zilversmid ook uit Groningen. In een tijd waarin veel (zonen van) ambachtslieden en boeren en masse gedegradeerd worden tot loonwerkers gaat het met Joseph naar verhouding goed.
 
In september 1874 trekt hij met zijn vrouw van Groningen naar Amsterdam – Spiegelgracht 22, het onderhuis. Ze wonen een jaartje in Nieuwer Amstel (nu Amstelveen), maar keren in 1878 weer terug naar Mokum – naar de Jordaan, om precies te zijn. [11] In die tijd is dat een van de beruchtste buurten van Nederland. Hoe het hen daar vergaat, wat ze er doen? Ze krijgen geen kinderen, er is niemand meer die hen nog heeft gekend. Hun belevenissen en bekommernissen zullen voor altijd onder het stof van de geschiedenis verborgen blijven. In de bevolkingsregisters van Amsterdam staat trots vermeld dat Joseph goudsmid is. Op één document is dat beroep doorgestreept en is er zilversmid boven geschreven. De huizen en de buurt waarin ze na 1878 wonen doen evengoed vermoeden dat hij lang knecht gebleven is. Pas in 1904 verhuist het paar naar een wat chiquere buurt, naar de Marnixstraat – maar ook hier nog steeds twee-hoog achter.
 
Niet lang daarna, in december 1905, overlijdt Gelina, 64 jaar oud. Sinds 1906 verblijft Joseph daarom bij hospita's. Als smid of als knecht werkt hij niet meer. Hij maakt zich nuttig als opzichter in een kinderspeeltuin en doet, zo weet althans de logementshouder in Winschoten, dienst als kerkleraar. Bij religie vermelden de registers dat Joseph (inmiddels?) Nederlands Hervormd is – hetgeen verklaart waarom ook de mensen van de sjoel hem niet kennen.

 
Lutjeloo
Wat drijft deze man in 1908 om terug te keren naar z'n roots? Misschien is hij inderdaad in Utrecht naar een arts gegaan. Misschien heeft hij daar vreselijk nieuws gekregen. Misschien is hij direct al in een impuls doorgereisd naar het hoge noorden – een kleine zeven uur met de trein. In Winschoten, daar werd hij groot. Daar hebben zijn ouders elkaar jong ontmoet, en zijn ze ook betrekkelijk jong gestorven. Zijn vier zussen zijn er inmiddels ook niet meer - Sara, Debora, Neijzijn en de oude Naatje, in die volgorde zijn ze hem voorgegaan. Via hen heeft hij wel een stuk of twintig neven en nichten in de streek – ze heten Kuipers, Hunnersen en Gernaat van achteren, en Cerfontaine, niet te vergeten - maar het is onduidelijk of ze elkaar kennen of zien. In ieder geval melden ze zich niet als hij gevonden wordt - al moet gezegd dat de autoriteiten bijzonder weinig doen om ze op te snorren. Maar hoe dan ook: was het melancholie? Heimwee naar de stad, de streek? Moesten er nog oude rekeningen vereffend? We kunnen er alleen maar naar gissen.
 
Op 13 augustus 1908 vertrekt Joseph om 11.30 te voet uit Winschoten. Om stroomopwaarts bij de Aa te komen moet hij op z'n minst naar Lutjeloo lopen. Dat is 7,4 km. zuidoostwaarts - voor een man van bijna 70 toch een stevige tippel. Het kan heel goed zijn dat hij daar, of ergens anders aan de meanderende stroom een hartaanval krijgt, een beroerte of anderszins. Het is buitengewoon fris die dag, en het regent pijpenstelen.[12] Hij kan uitglijden, of ongelukkig vallen. Hij kan stomlazerus van een hooibrug vallen. En natuurlijk kan hij er - à la Virginia Woolf – uit vrije wil een einde aan maken. Hij is er eenzaam genoeg voor: aan wie kan hij een afscheidsbrief schrijven? Maar dat er tóch een misdrijf plaatsvindt is óók niet uit te sluiten…
 
Dr. Duijntjer ziet geen sporen van geweld aan handen of hoofd. Daarop concludeert hij dat Joseph verdronken moet zijn. Een andere doodsoorzaak wordt niet onderzocht – maar ook niet een plek van vallen, uitglijden, of van wat dan ook. Op dat moment, op 20 augustus, is het horloge nog niet gevonden, en ook een portemonnaie ontbreekt. De volgende dag duiken die op, inclusief een derde ring die nog niet gemist was, maar nergens vinden de dienders geld. In een wat korzelige brief heeft de weduwe Lorist laten weten dat de Heer Montezinos áltijd véél geld en véél sieraden ('alles') bij zich draagt. Hij schuldt haar bovendien fl. 27,50 aan huur… Na de reis en de drie weken logeren kan dat natuurlijk op zijn. Dat zou verklaren waarom Joseph zijn glimmers verpanden wou. Maar dat is een gerucht – met een antisemitische lading bovendien. Voor de politie en de Burgemeester maakt dat het plaatje evengoed compleet. Het lijk uit de Aa kan schielijk begraven. Maar bewezen of uitgesloten is er eigenlijk helemaal niets.



Figuur 4: een stevig bonnetje van Eppo Smit: een rijksdaalder voor het gebruik van paard en wagen...


lasten
Voor een begrafenis van een inwoner zonder geld, verzekering of familie draait de Gemeente op. Dat geldt ook voor aangedreven lijken. De Gemeente betaalt in dit geval dus de arts/lijkschouwer – die overigens meer verdient dan de burgemeester zelf - de smid, de doodgraver en de gebroeders Smit, die allebei een stevig bonnetje inleveren. Tesamen komt dat neer op extra onkosten ten hoogte van fl. 29,25. Dat lijkt misschien weinig, maar in 1908 is dat nog best een aardig bedrag.[13] Het is de gemeente er veel aan gelegen het in z'n geheel terug te krijgen. Alle bezittingen zijn op 24 augustus al teruggezonden naar Amsterdam – goud en zilver, het restant van de kleding. De Gemeente doet dat heel nauwgezet. In Amsterdam gaan de curatoren van Advocatenkantoor Mulder even nauwgezet met de zaak aan de slag.

Op 23 september 1908 stuurt de Gemeente hen op verzoek de eerder genoemde onkostennota. Pas in april 1909 krijgen zij daar een antwoord op: uit het afwegen van kosten en baten – de snuisterijen, maar ook een levensverzekerig van 70 gulden – is minder overgebleven dan gehoopt. De Gemeente mag een postwissel ophalen van 25 gulden, en gaat daarnee voor fl. 4,25 het schip in. Het lijk in de Aa mag dan in twee dagen in Bellingwolde onder de grond zijn verdwenen, op de begroting van de Gemeente is hij twee boekjaren een last.
 
 
Alderik Visser (alderik@xs4all.nl)
Utrecht/Bellingwolde
 
Met dank aan het gemeentearchief Bellingwedde


[1] (1850 – 1914) Zoon van koopman Elzo Bruggers Dinkla, burgemeester van Bellingwoldde van 1895 – 1913. Introduceerde in het dorp ook (met zijn zoon) de stoomdorsmachine
[2] (1868 – 1933) Op dat moment commissaris in De Jordaan, later Hoofdcommnssaris van politie van geheel Amsterdam.
[3] Te weten aan de Bilderdijkkade 99
[4] Mogelijk gaat het hier om tingieter/koopman Lubbertus Zuidema (Winschoten, 1850 - 1931). Diens vader Willem (1815 – 1898) en oom Marginus (1820 – 1909) waren respectievelijk tingieter en goud- en zilversmid in Winschoten, en mogelijk leermeester van de dode.
[5] Ook gespeld als "Van der Streng(e) Cerffontain." Latere generaties zijn het kortere "Cerfontain(e)" gaan gebruiken, waaronder de muzikant/componist Matthias Johannes Cerfontaine (Winschoten, 1894 – 1987).
[6] Dat wil zeggen, een niet-joodse vrouw
[7] De weinig vleiende bijnaam die de Joodse bevolking aan Winschoten gaf.
[8] In Huis 41A, volgens de oude indeling uit de Franse tijd.
[9] En wel in 1832, als 'korporaal bij het tweede bataillon tweede afdeeling Groningen schutterij", gelegerd te Coevorden.
[10] Straatventer, handelsreiziger, marskramer; de nering bestond niet zelden uit sterke drank en/of (illegale) lectuur.
[11] Achtereenvolgens: Tweede Anjelierdwarsstraat 6 (1878 – 1893); Nieuwe Leliestraat 10 (1893); idem, nummer 178 (1893 – 1904)
[12] Met 13,4 graden maximum-temperatuur de koudste 13 augustus ooit gemeten…
[13] In termen van koopkracht komt dat neer op 340 hedendaagse euro's vgl. http://www.iisg.nl/hpw/calculate-nl.php. Een werkelijke rgelijking blijft moeilijk, o.a. doordat de verhouding van verschillende uitgaven tot elkaar indertijd óók anders was.

















maandag 18 juni 2018

De profane Maria

Over de koloniën, pauperisme en identiteitsfraude in de 19e eeuw.


In haar bestseller Het Pauperparadijs maakt Suzanna Janssen er nogal een dingetje van dat haar voorouders ooit in de Koloniën van Weldadigheid leefden. Anderen hebben daar – terecht – bij aangetekend dat dat helemaal zo bijzonder niet is: een op de tien Nederlanders heeft een voorouder die ooit uit de pauperstand verheft moest worden, en dus stichtend veen mocht afgraven in het hoge noorden.

Ook ik heb zulke voorouders, een hele zwik zelfs. Zowel aan de kant van mijn vader als van mijn moeder verdwenen er mannen in de 19e eeuw voor korte of langere tijd naar Veenhuizen, Ommerschans en diergelijke oorden. Nee, voor mij is dat niet zo’n dingetje. De armoe en de ellende van de ‘ijzeren’ 19e eeuw moet onbeschrijflijk zijn geweest. Zozeer, dat ik het moeilijk vind om me er in in te leven. Ik kijk er daarom vaak meer historisch naar: tot het begin van de 19e eeuw leefden vrijwel al m’n voorouders stabiel op het platteland en in steden, als boer, visser of ambachtsman. In de 19e eeuw raken sommige takken ontworteld, slaan op drift en verpauperen, op de manier waarop o.a. Marx dat beschreef: industrialisering vraagt om de creatie van een ‘lompenproletariaat’ – dat behalve straatarm ook fysiek en ‘moreel’ gedegenereerd is. 
 
De moeder van mijn betovergrootvader woonde in de Koloniën, niet als object van volksverheffing, maar als dochter van een ambtenaar. Na zijn dood verviel ze evengoed tot de klasse die haar vader had moeten redden, en behoorde ze in alle opzichten tot het lompste proletariaat. Ik veroordeel haar niet, maar wil haar of haar armoe ook zeker niet romantiseren. Haar verhaal, zoals ik dat uit haar stamboom kan reconstrueren, belicht een ander aspect van de geschiedenis van die Koloniën, namelijk de weerslag die het kon hebben op de mensen die er werkten. Bovendien is het slot ervan gewoon te wonderlijk om niet te vertellen.

De Kolonien
Dat verhaal begint in 1822, als Hendricus Johannes Antonius Morriën senior (1780 – 1853) een baan accepteert als boekhouder bij de Maatschappij van Weldadigheid. De maatschappelijke onderneming van Johannes van den Bosch is dan net uit z'n pilot-fase, en er hangt nog een waas van romantisch idealisme omheen: paupers die op Frederiksoord in contact met de elementen weer echt mens kunnen worden, boer en van de blauwe knoop… De aanstelling heeft bovendien aanzien, en er zit een behoorlijk traktement aan vast.

Hendricus is het vierde kind en de tweede zoon van een Duitse wijnhandelaar in Amsterdam, en op dat moment al 42 jaar oud. Zijn eerste vrouw Gerharda Weenink is in 1806 in Amsterdam in het kraambed gestorven.  In 1815 is hij opnieuw getrouwd met Maria Otto, dochter van de patriotse stadsdansmeester van Groningen. Dat lijkt een goede partij, maar bij haar huwelijke heeft ze al een kind – dat mogelijk niet van hem is… Met Maria vertrekt hij naar Grave, waar dat voorkind overlijdt en twee van hun zoons geboren worden.  Een vierde zoon ziet in 1821 in Groningen het levenslicht. Met z’n vijven vertrekkenen ze in 1822 naar Frederiksoord, waar Hendricus de oudere aan z’n nieuwe baan begint.


propaganda voor De Maatschappij en haar ' binnenlandse kolonisatie' 

De rest van zijn leven werkt hij als boekhouder voor De Maatschappij en woont hij in haar koloniën: Frederiksoord, Wilhelminaoord, Veenhuizen, en tenslotte weer Frederiksoord, waar hij als pensionado het winkeltje mag bestieren – anno nu is dat het VVV-kantoor. Er wordt al met al goed voor hem gezorgd. Promotie maakt hij echter niet meer, en ook privé gaat het leven niet over rozen. Zijn tweede vrouw Maria sterft namelijk ook al snel, in 1823. Hij hertrouwt in 1827 met een jonge bewoonster van de Kolonie, Maria van Rosmaelen, maar ook die legt betrekkelijk snel, in 1839, het loodje. Zelfs zijn vierde (‘gevallen’) vrouw, Alida Bebing, een protestantse (!) met wie hij in 1840 in het huwelijksbootje stapt, weet hij nog te overleven.

Glijden
Kinderen zijn er na de eerste Maria niet meer van gekomen. De drie zoons Morrien groeien als kinderen van een beambte op in de Koloniën en volgen hun vader in zijn voetsporen: allen worden ze boekhouder-klerk voor De Maatschappij van Weldadigheid. De jongste twee, Johannes Fransiscus en Antonius de jongere zullen er, net als hun vader, hun lange leven onder traktement blijven en er (vele) kinderen verwekken. Als arbeiders bevolken die later de fabrieken in Twente, waar de naam Morrien tot op dato nog veel voorkomt.
 
De oudste zoon, Hendricus Johannes Antonius Morriën junior trouwt in 1840 plechtig in het kerkje van Frederiksoord met Aaltje Grevinga uit Noordwolde. Ze wonen een tijdje in dat dorp, maar keren in 1844 terug naar Veenhuizen, waar hij eerder al eens boekhouder was. Tot groot verdriet sterft hij twee jaar later al in het gevangenisdorp, amper 30 jaar oud. Vrouw Aaltje heeft op dat moment twee levende kinderen. Een derde heeft ze net een maand geleden begraven en ze is zwanger van een vierde.
 
De Maatschappij van Weldadigheid, we noemden het al, zorgde goed voor trouwe werknemers. Maar voor eventuele weduwen en wezen was er geen geld of plan. Aaltje en haar kinderen moeten Veenhuizen verlaten en keren terug naar Noordwolde – mogelijk naar de beruchte ‘desperado-kolonie’ in Noordwolde-zuid. Aaltje hertrouwt daar ras, in 1848, met de tien jaar jongere ex-kolonist, Jacobus Philippus Bikkers Bakker, maar dat helpt haar niet. Haar tweede kind is, vier jaar oud, inmiddels ook overleden. Met haar oudste dochter Maria - die is dan negen jaar - wordt ze in 1850 in Heereveen opgebracht wegens bedelarij... Ambtenaren van de Maatschappij van Weldadigheid trouwden – ook dat noemden we al - met vrouwen die ze in bewaring hadden. Ging er iets mis, dan gleden die vouwen en hun kinderen net zo gemakkelijk weer af  tot het soort van paupers die de maatschappij juist ‘redden’ wilde.

Profane Maria
Maria Morriën, de jonge bedelares, ontmoeten we tien jaar later weer.  Ze is zwanger geworden van Joost Goudriaan, een stoere, ongeletterde polderwerker uit Hardinxveld. Zij is 19, hij 26 als hun eerste zoon Henrie geboren wordt. Polderwerkers werken niet aleen in het slijk der aarde, ze zijn het in de ogen van de maatschappij ook. In gevreesde troepen werken ze nu eens hier, dan weer daar, aan dijken, polders, kanalen, sloten. Nu is het Veenoord, gemeente Sleen in Drenthe, vlakbij de Duitse grens, waar de kleine Henrie als zuigeling al sterft. Dan is het Goënga, gemeente Wymbritseradiel, waar hun tweede kind Arie (“toevallig” ) ter wereld komt. Een derde kind ziet in Lemmer het levenslicht, een vierde wordt dood geboren in Delden (Stad), terwijl moeder eigenlijk in Zutphen woont. Of althans, dat staat er op papier….

In mijn familie was bekend dat Maria, de moeder van mijn betovergrootvader Arie Morriën ‘iets’ met de Koloniën te maken had, en dat ze ongehuwd moeder was. Waarschijnlijk om dat laatste te vergoeilijken deed het gerucht de ronde dat ze zwanger was geworden van een arts in Veenhuizen. Dat is niet aannemelijk. Van de eerste twee kinderen doet stoere Joost aangifte. Van het derde en vierde niet, maar dat laatste kind wordt wel in zijn huis in Delden geboren. Hij is de vader. Op haar 18e is ze met hem mee gegaan, hebben samen kinderen gekregen, en hebben de moeite niet genomen om te trouwen. Op het platteland was het sowieso gebruikelijk om pas te trouwen als een vrouw zwanger was – of al een eerste kind had. In de stad was het in de volksklassen zelfs niet ongebruikelijk om pas na een paar kinderen een huwelijk aan te gaan.  En bij polderwerkers, het schuim der aarde, dat woonde in karren en plaggen op of langs de dijken, gold anno 1860 sowieso god noch gebod.

Wederopstanding?
Bij de geboorte van haar laatste, levenloze kind komt Maria, 23 jaar jong, zelf te overlijden. Althans, zo staat dat in de boeken. Stiefvader Jacobus Bikkes Bakker doet op 16 februari 1865 in Delden aangifte van twee gelijktijdige overlijdens, de dag ervoor. Stoere Joost is bij die aangifte niet meer van de partij. Hij trouwt zes maanden later in Delden met een andere vrouw, verwekt bij haar een kind, verhuist naar Enschede, verdwijnt dan weer met onbekende bestemming en verdrinkt in 1868 in een polder bij Nieuweschans, in Groningen dus. Einde verhaal?

In registers die onlangs digitaal zijn vrijgegeven, duikt Maria Morriën, geboren 20 mei 1841 te Noordwolde, zeven jaar na haar dood plotseling weer op. Zij of haar dubbelgangster woont dan samen met de twintig jaar oudere Gijsbert van Veen in een huis in Overschie. Het paar verhuist naar Rotterdam, keert weer terug naar Overschie, en trekt tenslotte toch naar Rotterdam, waar Gijsbert in 1882 in een huis aan de Coolsingel komt te overlijden. Van Maria ontbreekt daarna weer elk spoor.

Ook deze Gijsbert van Veen (1819 – 1882) was een kolonist. Na een verblijf van onbekende duur in de bedelaarskolonie Ommerschans keert hij in 1864 terug naar zijn vrouw in Veen (Noord Brabant). In 1869 verlaat hij haar weer en trekt hij naar Delft om daar nering te doen als koopman. In 1872 duikt hij, als gezegd, op in Overschie – buitenechtelijk samenwonend met de - doodverklaarde - Maria Morrien.


bedelaarskolonie Ommerschans

Als die in 1865 inderdaad in Delden is overleden, dan hebben we hier te maken met een 19e eeuws geval van identiteitsfraude. Gijsbert woont samen met een andere vrouw dan waarmee hij getrouwd is en laat haar zich inschrijven als de overleden Maria. Familie van deze onfortuinlijke Morriën heeft hij zeker ontmoet in Ommerschans, en misschien kende hij de jongedame in kwestie persoonlijk wel.

Mogelijk, maar hoogst speculatief, is de theorie dat Maria in 1865 helemaal niet overleden is, maar door haar stiefvader wel heel letterlijk is doodverklaard. Over redenen daarvoor kunnen we alleen gissen: om haar een kans te geven op een nieuwe start, zonder stoere Joost? Om haar te dwingen, qua schande, om zich elders te vestigen? Om andere, onnavolgbare redenen? Het is wachten op het vrijkomen van nieuwe akten, maar mogelijk – en zeer waarschijnlijk - zullen we het nooit weten.

Feit is dat mijn betovergrootvader Arie niet bij zijn moeder Maria, maar bij zijn oma Aaltje Grevinga en zijn stiefopa Jacob Bikkers Bakker, later ook bij diens tweede vrouw in Enschede opgroeide. Als stoker bij de marine kwam hij terug naar Amsterdam en trouwde er de dochter van een kroegbaas. Zijn zoons en kleinzoons werden er – speling en lot – vrijwel allemaal grond- en polderwerker.

Juni 2018

Alderik Visser,
met dank aan Paul Morriën