maandag 18 februari 2019

Filosofenkitsch


Jan Bransen over (ver)vorming.



Een tijdje al roert Jan Bransen, hoogleraar filosofie van de sociale wetenschappen in Nijmegen, zich in onderwijsland. Na ingezonden stukken, blogs en interviews is er nu ook een boek, waarin hij de vloer aanveegt met 'het' huidige onderwijs en daar een radicaal ander bestel tegenover wil stellen. Dat doet hij intelligent en met zwier, maar of het ook echt overtuigen kan, valt te bezien. 

In het eerste deel van zijn tractaat bepreekt Bransen de manieren waarop onderwijs kinderen anno nu zou vervormen in plaats van vormen. Jan schrijft speels en leuk: anekdotes en observaties, afgewisseld met theorie en analyse. Persoonlijk ben ik niet zo geporteerd van de persoonlijke aanspreekvorm waar hij soms naar schakelt, maar dat is een quaestie van smaak. Met name in hoofdstukken drie en vier bewandelt hij nogal wat filosofische paden die voor de gemiddelde onderwijsmens mogelijk niet heel toegankelijk zijn. Die omzwervingen kosten tijd, maar raken wel degelijk aan de kern van zijn betoog, namelijk dat de aard en de organisatie van 'kennisoverdracht' op school nauwelijks de doel dienen die ze veronderstellen te dienen, en het echte leren van kinderen en andere mensen alleen maar in de weg zitten. 

Die kritiek is deels terecht, en is recentelijk ook al in veel ándere publicaties ánders aan de orde gesteld. (vgl. Kusters & Visser, 2018; Visser, 2013) De insteek die Bransen op het thema kiest levert hier zeker een interessante aanvulling op. Tegelijk oogt het beeld dat hij in dit deel van 'het' onderwijs schetst nogal clichématig en weinig echt geïnformeerd. Zo verwijt hij 'het' onderwijs dat zij een naief idee zou hebben van kennis en de verwerving daarvan – zich mogelijk niet realiserend dat vernieuwers, vakdidactici en beleidsmakers al zo'n dertig jaar allerlei constructivismen zijn toegedaan. En: binnen 'het' onderwijs in Nederland zijn enorm veel leerkrachten en docenten du moment bezig allerlei alternatieven te zoeken voor de toetsgekte die ook zij ervaren, en bewandelen zij serieus andere wegen om socialisatie en persoonsvorming anders vorm te geven. Maar noch deze initiatieven, noch de enorme veelvormigheid van 'het' Nederlandse schoollandschap zelf passen in het frame dat hier wordt opgebouwd.

In het tweede deel wil Bransen niet utopisch ('eschatologisch') maar wel optimistisch bouwen aan een nieuw en volledig ander onderwijsbestel. In het eerste hoofdstuk, over het primair onderwijs, lukt dat nog niet helemaal. Met nog eens een dosis cognitiefilosofie loopt hij zichzelf en de lezer nu echt voor de voeten. Het wordt onvoldoende helder wat hij precies wil betogen (automatiseren? socialiseren? waartoe dan?) en het blijft raden hoe dat anders is dan wat slechte scholen nu al doen. De rijkdom van het po wordt hier, om met @JanTishauser te spreken, wel erg tekort gedaan. 

Het echte vuur zit 'm in het plan voor het voortgezet onderwijs, dat radicaal heterogeen, volledig als maatwerk, geheel zonder toetsen of eintermen, en deels buiten de school moet worden vormgegeven. In dit


en het daarop volgende hoofdstuk over een duaal stelsel voor het tertiair onderwijs blijft de filosofie vrijwel achterwege en spreekt vooral de passie en de rebellie. Ik mag dat wel, en denk ook dat het goed en nodig is dat iemand af en toe zo'n contrapunt maakt. Tegelijk hadden iets meer ándere filosofie, wat geschiedenis en sociologie Bransen mogelijk voor wat valkuilen kunnen behoeden

De analyse die Bransen maakt van 'het' onderwijs gaat namelijk wel over moderne uitwassen van ons systeem, maar is op zichzelf ongeveer zo oud als het onderwijs zelf: in een geïnstitutionaliseerde vorm, met boeken en lokalen, verbreekt het leren de verbinding met het echte leven. Beter toch zouden we leren van 'de dingen', en dat het best nog wel alleen, volgens ons geheel eigen leerpad, omdat we immers allemaal authentiek dan wel radicaal gesitueerd zij. Elders heb ik deze denkfiguur, niet zonder ironie, al wel eens pedagogenkitsch, genoemd (Visser, 2014a, 2014b). De facto betreft het een subgenre van de utopie dat sinds 1762 in honderdvoud is bedreven (Oelkers, 2000). Bransen baseert zich in zijn variant daarop opvallend weinig op pedagogen of onderwijsfilosofen. Hij noemt Dewey een keer, Biesta een paar maal wat oppervlakkig, verwijst eens naar Arendt, maar wekt vooral de suggestie dat hij alles 'zelluf' gedaan heeft. Dat kan, maar dat maakt de familiegelijkenis met voorstellen van Rousseau, Fourier, Neill, Illich en anderen uit de radicale traditie er niet minder om. Da's een mooi lijstje om in te staan, maar verraadt mogelijk meer utopie dan de schrijver wil suggeren, en daarmee ook wat scherpe randjes.

Praktische haalbaarheid is misschien wel minder een issue dan de schrijver zelf denkt. In veel landen is het beroepsonderwijs veel meer duaal georganiseerd dan bij ons, en dat voucher-systeem, dat Milton Friedman al eens bedacht, legde hier te lande de basis voor de basisbeurs. Op de basisschool zijn ze al vooral bezig met automatiseen en socialiseren – dat mag wel een onsje minder -  en ja, in Nederland kun je dus gewoon een Branssen-school beginnen. De vraag is natuurlijk of een hooggespecialiseerde samenleving op grote schaal wil investeren in voortgezet onderwijs dat kinderen niet kwalificeert, maar hen er alleen bij helpt helegaar authentiek 'zichzelf' te worden. Bransens wedervraag, of veel voortgezet onderwijs jongeren nu wel voldoende kwalificeert voor iets, en of zij dat, mede gezien de uitval in het ho, heel effectief doet, mag zeker ook gesteld worden. Niettemin vraagt het omdenken van Bransen om meer dan bloss een mentaliteitsverandering, maar om niets meer dan een ándere samenleving. Zo lang die er niet is kleeft er aan het gehamer op meer maatwerk, individualisering en kinderen die in de eerste plaats 'zichzelf' moeten worden / blijven wel een aantal bezwaren. Ik heb die vaker aangestipt en ga dat niet nog eens overdoen (Visser 2015a; 2016), maar een aantal observaties wil ik hier wel maken.

Op de toetsgekte in Nederland (en elders) is van alles aan te merken. De gevolgtrekking dat we dan maar helemaal moeten stoppen met elke vorm van assessment, miskent dat toetsen ook een emancipatoir oogmerk en effect hadden en hebben. CITO en Mammoetwet zijn samen functioneel geweest voor de doorbraak van een standen- of klassensamenleving naar een meer meritocratische maatschappij (Pinxteren en de Beer. 2017). Dat die inmiddels zelf een nieuw soort klassen-samenleving geworden is – met hoog- en laagopgeleiden aan weerszijden van akelig veel kloven – doet aan de functie en de waarde van toetsen en benchmarks als correctie op vooroordeel en misperceptie, niets af.

Het is mogelijk correct, zoals Bransen opmerkt, dat onze vroege selectie bijdraagt aan sociale ongelijkheid. Maatwerksystemen, individuele leerpaden, vouchers en coaches doet dat mogelijk ook, en misschien wel meer: kinderen uit de gebildete klassen beschikken over het sociale en culturele kapitaal dat nodig is om op school lang rond te mogen dobberen in hun beleefwereld en uiteindelijk toch nog land in zicht te krijgen. Voor kinderen uit andere milieux dan waar Bransen impliciet naar lijkt te verwijzen is dat veel minder vanzelfsprekend: een stapeling van keuze- en schakelmomenten en al te veel gokken op intrinsieke motivatie is voor de minder kansrijken meetbaar slecht. Al te ver vooruitlopen op de nakende revolutie is voor hen dus mogelijk niet zo'n hoopvol plan.

Als zelfverklaarde anarchist heeft Bransen een broertje dood aan statelijke bedilzucht, en moeten leerplannen en kerndoelen het ontgelden. Ik ben er niet helemaal zeker van of hij goed begrijpt welke status en functie die kerndoelen in het Nederlandse bestel hebben, maar ik deel z'n mening niet. Voor de groeiende tweedeling in samenleving en onderwijs (en omgekeerd) zijn volgens gezaghebbende bronnen niet alleen sociaal-economische, maar ook onderwijskundige en curriculaire oorzaken aan te wijzen (IvhO, 2018). In de korte bocht: op goede scholen met veel kansrijke kinderen is er een rijk en goed uitgebalanceerd onderwijsaanbod; op slechte scholen met veel uitdagingen is dat aanbod eenzijdig en / of overladen. Varianten zijn er ook: populaire scholen met pedagogische tierlala voor kansen-kindjes, met aanbod dat zich onttrekt aan landelijke richtlijnen en bovendien nauwelijks effectief is. 
De vrijheid van onderwijs is in ons bestel vrij radicaal, maar begrensd door kwaliteit. Dat is een normatief begrip, zeker, maar zonder idee van wat kwaliteit is / van wat kwaliteiten kunnen zijn, gaat het ook niet helemaal lekker. In Bransens voorstel is volstrekt onduidelijk wie de kwaliteit/en van al het geautomatiseer en van al die portfolio's gaat beoordelen, en op grond van welke noties, doelen of maatstaven. Hij wíl dat natuurlijk ook helemaal niet. Maar dan moet hij zich serieus afvragen, of en hoe zijn anarchoïde bestel in z'n uitwerking anders zal zijn dan de door hem zo verfoeide neoliberale systemen – temeer omdat hij zich op dit punt nog roomser toont dan de neoliberale paus (Friedman, 1955).

Al met al heb ik dus best plezier gehad van het nieuwe boek van Jan Bransen. Andere van zijn boeken vond ik beduidend beter. Ik herken heus veel kritiek op het onderwijs, en vind sommige aanzetten voor oplossingen best lollig. Voor een boek over 'het' onderwijs bevat het echter teveel cognitiefilosofie, en gaat het naar mijn smaak ook net iets te veel over Jan Bransen. Als geheel blijft zowel de analyse van het bestaande als de schets voor een nieuw onderwijsbestel behoorlijk aan de magere kant. Als uitnodiging om daar verder en dieper over na te denken kan het als pamflet zijn werk doen, maar daarvoor is het voor veel onderwijsmensen mogelijk weer te weinig toegankelijk – en ook weinig complimenteus c.q. oprecht geïntereseerd in wat zij in den lande allemaal al aan mooie dingen op het gebied van vorming op touw zetten.

Alderik - op persoonlijke titel

maandag 10 september 2018

Een lijk in de Aa

Bellingwolde – Winschoten - Amsterdam 1908

Het belooft een warme zomerdag te worden. In de nog koele ochtend ziet dagloner Aldert Smit het drijven. 't Is bij de brug van Gastman over de Westerwoldse Aa, net onder Bellingwolde, en het ziet eruit 'als een mensch'. Hij haalt zijn broer erbij en samen trekken ze – kiel voor de neus – inderdaad een lichaam uit het water. Aldert spoedt hij zich naar burgemeester Pieter Laurens Dinkla Edz[1]. en neemt hem mee naar de plek des onheils. De burgervader verordonneert broer Eppo een kar te halen en het lichaam direct naar het lijkenhuis te brengen. Zelf gaat hij terug naar het gemeentehuis om deze onverkwikkelijke kwestie verder af te handelen. Hij vraagt de Officier van Justitie in Winschoten per telegram om instructies, verzoekt dorpsarts Duijntjer vriendelijk maar dringend om spoedigst een lijkschouw te organiseren en seint alvast zijn collega's in de buurgemeenten in. Is er iemand vermist? Het is 20 augustus 1908, het is 24, bijna 25 graden en in de Aa is een lijk gevonden

Figuur 1: Balkenbrug (ook: 'hooibrug', in de volksmond) over de westerwoldse Aa vóór de kanalisering


doodschouw
Nog op dezelfde dag vindt in het lijkenhuis naast het kerkhof een 'doodschouw' plaats. In
aanwezigheid van rijksveldwachter Haarman, dorpsveldwachter Veldman en doodgraver Van der Mark ontkleden de arts en zijn assistente 's middags net na drieën de drenkeling.

Het lijk is 'wankleurig', het gezicht al helemaal zwart. Her en der zijn flinke blazen; daar laat de huid al heel gemakkelijk los. Het gaat om een kleine, donkerharige man met een keurig gesneden donkere ringbaard. Leeftijd onbekend, maar waarschijnlijk van middelbare leeftijd – veertig of daaromtrent. Een band wijst op een liesbreuk; zijn lid op 'ritueele circumcisie' - besnijdenis dus. Er zijn geen sporen van geweld aan hoofd of handen, dus waarschijnlijk is de man verdronken.

Na binnenkomst van het autopsieverslag maakt burgemeester Dinkla proces verbaal op. Hij beschrijft de dode nu níet als klein, (ca. 1.70), maar wel als 'tamelijk gezet, met een breed aangezicht en eene dikke neus' . Bij z'n vondst is hij volledig gekleed in een blauw of zwart pak 'van goede Engelsche stof'. Aan z'n voeten zitten halfhoge laarzen ('bottines') met zilveren beslag. Aan elke hand draagt hij een dikke gouden ring - later zal de smid die van z'n handen moeten halen… Er is een horlogeketting zonder horloge, een lorgnet, een lege sigarenkoker. Twee zakdoeken en een knevel. Er is geen portemonnaie, er zijn geen papieren, de kleren zijn niet gemerkt. De identiteit van het lijk is en blijft onbekend. Hoogstwaarschijnlijk is de man verdronken. Alles wordt in beslag genomen – op de zakdoeken na.

 
heer
Ook in 1908 kan communicatie – via de telegraaf - verbazend snel gaan. o.a. Het Haarlems Dagblad meldt op 21 augustus dat […] "onder Bellingwolde (Gr.) het lijk [is] opgehaald van een tot heden onbekend heer van 35 à 40 jaar, gekleed, met horloge en gouden sieraden, die wellicht reeds voor eenige dagen in de AE den dood gevonden heeft." Opvallend aan het bericht is natuurlijk het horloge: gevonden is wel een tinnen ketting, maar géén klok. 


Figuur 2: Annonce Haarlems Dagblad 21-081908

 
Al op dezelfde dag neemt commissaris Aart Jacob Marcusse uit Amsterdam contact op met Dinkla.[2] Bij hen heeft zich de weduwe G. Lorist gemeld, uitbaatster van een logement voor alleenstaande mannen aan de Bilderdijkkade[3]. Een van haar huurders is 22 juli op reis gegaan, naar hij zei om zich in Utrecht voor ziekte te laten behandelen. Maar hij is nooit meer teruggekomen. Het signalement – heer met horloge en sieraden – lijkt te kloppen. Alleen: haar huurder is niet veertig maar tegen de zeventig. En hij schuldt haar nog fl. 27,50 aan huur… De Amsterdammers vragen en krijgen meer details over de man en zijn bezittingen. Ze overleggen met de weduwe en sturen diezelfde dag om 15.59 een telegram terug. Geen twijfel mogelijk: dit is Joseph Montezinos, geboren in 1839 te Amsterdam. Weduwnaar. Geen verwanten bekend.

streng
Ook de twee veldwachters zitten intussen niet stil. Navraag van 'rijks' Haarman in Winschoten levert op dat het heerschap daar gezien is. Onder de naam J. Streng, zo blijkt, heeft hij drie weken een onderkomen gevonden bij slaapsteehouder Kroeze. Hij is op bezoek geweest bij pottenbakker Zuidema, die hem nog van vroeger kent.[4] De zoon van Zuidema heeft al aan agent Bakker verteld dat hij in het echt niet Streng, maar Montezinos heet. Op 13 augustus is hij tussen 11 en 12 te voet op pad gegaan, en nooit meer teruggekeerd. In het logement in Winschoten staat nog een koffer met kleren. Ook vinden ze er het missende horloge, een portemonnaie, een plaatje dat bij de sigarenkoker hoort en een derde gouden ring.
 
In Bellingwolde, zo merkt dorpswachter Veldman, komen intussen de geruchten op stoom. Horlogemaker Hoormann herinnert zich opeens dat de dode vorige week én een horloge én een gouden ring aan hem wilde verpanden. In het dorp wordt al gefluisterd dat de 'rijke Jood' 'overal' veel kostbaarheden heeft verkocht voor weinig geld… Wat er van die geruchten waar is, blijft ongewis. Ook de toedracht van de dood van Joseph lijkt er inmiddels niet meer toe te doen. Nu vast staat wie hij is en er geen verwanten schijnen te zijn, kan hij snel begraven. De staat van het lijk en het warme weer nopen daartoe, zeker. Maar is de onderste steen al boven?
 
Hoe dan ook timmert de doodgraver op 22 augustus voor acht guldens een armenkist – zes gulden hout, twee gulden arbeidsloon - en zet Joseph Montezinos voor nog eens twee gulden eenzaam bij op de algemene begraafplaats van Bellingwolde. Uit een – niet beantwoorde - brief van Bram Mendes da Costa, secretaris van de Portugees-Israëlitische Gemeente van Amsterdam is gebleken dat ook zij déze Montezinos niet kennen…


Figuur 3: Vinden lijk onbekend manspersoons. Archiefmap 398, 1908. Archief gemeente Bellingwedde
vader
Joseph Montezinos komt op 5 januari 1839 in Amsterdam ter wereld. Hij is het achtste kind van Izaak van Izaak Levie Montezinos (1800 – 1854) en Johanna Maria van der Streng Cerffontain (1799 – 1859)[5]. Dat klinkt als een chique mond vol, maar de schijn bedriegt. (De) Montezinos is een sefardisch geslacht dat in de 17e eeuw in Amsterdam is beland. Dat heeft rabbijnen en schriftgeleerden voortgebracht, maar Izaak de oudere (1779 – 1858) is muzikant geworden. Izaak de jongere wordt toneelspeler – of zoiets.
Op reis door het land bezwangert hij Johanna Maria, dochter van een tuinier in Winschoten – een goj dus.[6] Ongetrouwd nemen ze de benen naar Amsterdam, waar in 1822 hun eerste dochter Naatje geboren wordt. Daarna keren ze terug naar Sodom,[7] waar de meeste van hun negen kinderen het levenslicht zien.[8] Izaak scharrelt zijn kostje bij elkaar als toneelspeelder, als kunstenaar, als korporaal,[9] als inlandsche kramer[10] en tenslotte als stokbewaarder, dat wil zeggen, als cipier in de gevangenis in Winschoten. Trouwen doen ze pas in 1839, een half jaar nadat Joseph – waarschijnlijk op familiebezoek – geboren is. Eén broer (ook een Joseph) en drie zussen (Niesje en tweemaal een Abigaël) zijn dan al overleden. De andere kinderen worden – zoals dat in de volksklasse vrij gebruikelijk was – bij het huwelijk alsnog geëcht.
 
 
zoon
Met drie zussen en een zusje groeit Joseph wettig op in Winschoten. De gezusters schieten er wortel: de oudsten trouwen met arbeiders uit Winschoten en Sappemeer, de jongste blijft haar hele leven dienstmeid, ook in Sappemeer. Armoe troef. Maar Joseph gaat in de leer. Hij is vijftien als zijn vader overlijdt, twintig bij de dood van zijn moeder. Ergens in die tijd in wordt hij knecht bij een zilversmid, mogelijk in Winschoten, bij Zuidema, mogelijk ook direct in de stad – in Groningen dus. In ieder geval trouwt hij in 1870 daar, op z'n 31e pas, met de twee jaar jongere Gelina Gezina de Jager uit Appingedam. Als getuigen treden handwerkslieden op, een bekende zilversmid ook uit Groningen. In een tijd waarin veel (zonen van) ambachtslieden en boeren en masse gedegradeerd worden tot loonwerkers gaat het met Joseph naar verhouding goed.
 
In september 1874 trekt hij met zijn vrouw van Groningen naar Amsterdam – Spiegelgracht 22, het onderhuis. Ze wonen een jaartje in Nieuwer Amstel (nu Amstelveen), maar keren in 1878 weer terug naar Mokum – naar de Jordaan, om precies te zijn. [11] In die tijd is dat een van de beruchtste buurten van Nederland. Hoe het hen daar vergaat, wat ze er doen? Ze krijgen geen kinderen, er is niemand meer die hen nog heeft gekend. Hun belevenissen en bekommernissen zullen voor altijd onder het stof van de geschiedenis verborgen blijven. In de bevolkingsregisters van Amsterdam staat trots vermeld dat Joseph goudsmid is. Op één document is dat beroep doorgestreept en is er zilversmid boven geschreven. De huizen en de buurt waarin ze na 1878 wonen doen evengoed vermoeden dat hij lang knecht gebleven is. Pas in 1904 verhuist het paar naar een wat chiquere buurt, naar de Marnixstraat – maar ook hier nog steeds twee-hoog achter.
 
Niet lang daarna, in december 1905, overlijdt Gelina, 64 jaar oud. Sinds 1906 verblijft Joseph daarom bij hospita's. Als smid of als knecht werkt hij niet meer. Hij maakt zich nuttig als opzichter in een kinderspeeltuin en doet, zo weet althans de logementshouder in Winschoten, dienst als kerkleraar. Bij religie vermelden de registers dat Joseph (inmiddels?) Nederlands Hervormd is – hetgeen verklaart waarom ook de mensen van de sjoel hem niet kennen.

 
Lutjeloo
Wat drijft deze man in 1908 om terug te keren naar z'n roots? Misschien is hij inderdaad in Utrecht naar een arts gegaan. Misschien heeft hij daar vreselijk nieuws gekregen. Misschien is hij direct al in een impuls doorgereisd naar het hoge noorden – een kleine zeven uur met de trein. In Winschoten, daar werd hij groot. Daar hebben zijn ouders elkaar jong ontmoet, en zijn ze ook betrekkelijk jong gestorven. Zijn vier zussen zijn er inmiddels ook niet meer - Sara, Debora, Neijzijn en de oude Naatje, in die volgorde zijn ze hem voorgegaan. Via hen heeft hij wel een stuk of twintig neven en nichten in de streek – ze heten Kuipers, Hunnersen en Gernaat van achteren, en Cerfontaine, niet te vergeten - maar het is onduidelijk of ze elkaar kennen of zien. In ieder geval melden ze zich niet als hij gevonden wordt - al moet gezegd dat de autoriteiten bijzonder weinig doen om ze op te snorren. Maar hoe dan ook: was het melancholie? Heimwee naar de stad, de streek? Moesten er nog oude rekeningen vereffend? We kunnen er alleen maar naar gissen.
 
Op 13 augustus 1908 vertrekt Joseph om 11.30 te voet uit Winschoten. Om stroomopwaarts bij de Aa te komen moet hij op z'n minst naar Lutjeloo lopen. Dat is 7,4 km. zuidoostwaarts - voor een man van bijna 70 toch een stevige tippel. Het kan heel goed zijn dat hij daar, of ergens anders aan de meanderende stroom een hartaanval krijgt, een beroerte of anderszins. Het is buitengewoon fris die dag, en het regent pijpenstelen.[12] Hij kan uitglijden, of ongelukkig vallen. Hij kan stomlazerus van een hooibrug vallen. En natuurlijk kan hij er - à la Virginia Woolf – uit vrije wil een einde aan maken. Hij is er eenzaam genoeg voor: aan wie kan hij een afscheidsbrief schrijven? Maar dat er tóch een misdrijf plaatsvindt is óók niet uit te sluiten…
 
Dr. Duijntjer ziet geen sporen van geweld aan handen of hoofd. Daarop concludeert hij dat Joseph verdronken moet zijn. Een andere doodsoorzaak wordt niet onderzocht – maar ook niet een plek van vallen, uitglijden, of van wat dan ook. Op dat moment, op 20 augustus, is het horloge nog niet gevonden, en ook een portemonnaie ontbreekt. De volgende dag duiken die op, inclusief een derde ring die nog niet gemist was, maar nergens vinden de dienders geld. In een wat korzelige brief heeft de weduwe Lorist laten weten dat de Heer Montezinos áltijd véél geld en véél sieraden ('alles') bij zich draagt. Hij schuldt haar bovendien fl. 27,50 aan huur… Na de reis en de drie weken logeren kan dat natuurlijk op zijn. Dat zou verklaren waarom Joseph zijn glimmers verpanden wou. Maar dat is een gerucht – met een antisemitische lading bovendien. Voor de politie en de Burgemeester maakt dat het plaatje evengoed compleet. Het lijk uit de Aa kan schielijk begraven. Maar bewezen of uitgesloten is er eigenlijk helemaal niets.



Figuur 4: een stevig bonnetje van Eppo Smit: een rijksdaalder voor het gebruik van paard en wagen...


lasten
Voor een begrafenis van een inwoner zonder geld, verzekering of familie draait de Gemeente op. Dat geldt ook voor aangedreven lijken. De Gemeente betaalt in dit geval dus de arts/lijkschouwer – die overigens meer verdient dan de burgemeester zelf - de smid, de doodgraver en de gebroeders Smit, die allebei een stevig bonnetje inleveren. Tesamen komt dat neer op extra onkosten ten hoogte van fl. 29,25. Dat lijkt misschien weinig, maar in 1908 is dat nog best een aardig bedrag.[13] Het is de gemeente er veel aan gelegen het in z'n geheel terug te krijgen. Alle bezittingen zijn op 24 augustus al teruggezonden naar Amsterdam – goud en zilver, het restant van de kleding. De Gemeente doet dat heel nauwgezet. In Amsterdam gaan de curatoren van Advocatenkantoor Mulder even nauwgezet met de zaak aan de slag.

Op 23 september 1908 stuurt de Gemeente hen op verzoek de eerder genoemde onkostennota. Pas in april 1909 krijgen zij daar een antwoord op: uit het afwegen van kosten en baten – de snuisterijen, maar ook een levensverzekerig van 70 gulden – is minder overgebleven dan gehoopt. De Gemeente mag een postwissel ophalen van 25 gulden, en gaat daarnee voor fl. 4,25 het schip in. Het lijk in de Aa mag dan in twee dagen in Bellingwolde onder de grond zijn verdwenen, op de begroting van de Gemeente is hij twee boekjaren een last.
 
 
Alderik Visser (alderik@xs4all.nl)
Utrecht/Bellingwolde
 
Met dank aan het gemeentearchief Bellingwedde


[1] (1850 – 1914) Zoon van koopman Elzo Bruggers Dinkla, burgemeester van Bellingwoldde van 1895 – 1913. Introduceerde in het dorp ook (met zijn zoon) de stoomdorsmachine
[2] (1868 – 1933) Op dat moment commissaris in De Jordaan, later Hoofdcommnssaris van politie van geheel Amsterdam.
[3] Te weten aan de Bilderdijkkade 99
[4] Mogelijk gaat het hier om tingieter/koopman Lubbertus Zuidema (Winschoten, 1850 - 1931). Diens vader Willem (1815 – 1898) en oom Marginus (1820 – 1909) waren respectievelijk tingieter en goud- en zilversmid in Winschoten, en mogelijk leermeester van de dode.
[5] Ook gespeld als "Van der Streng(e) Cerffontain." Latere generaties zijn het kortere "Cerfontain(e)" gaan gebruiken, waaronder de muzikant/componist Matthias Johannes Cerfontaine (Winschoten, 1894 – 1987).
[6] Dat wil zeggen, een niet-joodse vrouw
[7] De weinig vleiende bijnaam die de Joodse bevolking aan Winschoten gaf.
[8] In Huis 41A, volgens de oude indeling uit de Franse tijd.
[9] En wel in 1832, als 'korporaal bij het tweede bataillon tweede afdeeling Groningen schutterij", gelegerd te Coevorden.
[10] Straatventer, handelsreiziger, marskramer; de nering bestond niet zelden uit sterke drank en/of (illegale) lectuur.
[11] Achtereenvolgens: Tweede Anjelierdwarsstraat 6 (1878 – 1893); Nieuwe Leliestraat 10 (1893); idem, nummer 178 (1893 – 1904)
[12] Met 13,4 graden maximum-temperatuur de koudste 13 augustus ooit gemeten…
[13] In termen van koopkracht komt dat neer op 340 hedendaagse euro's vgl. http://www.iisg.nl/hpw/calculate-nl.php. Een werkelijke rgelijking blijft moeilijk, o.a. doordat de verhouding van verschillende uitgaven tot elkaar indertijd óók anders was.