Over Macht, Legitimiteit en de School als Polis
ethos
Van de klassieke retorica heb ik geleerd dat
ik mezelf eerst goed neer moet zetten. U moet het gevoel krijgen dat ik wat te
zeggen heb waar u naar wilt luisteren. Ik moet iets uitstralen – ethos, een woord dat verwant is aan ethiek - en legitimeer daarmee als het ware mijn presentatie, mijn presentie en mijn pretentie.
Welnu: mijn naam is Alderik Visser. Van
beroep ben ik criticaster. Ik neem het recht alles en iedereen in het onderwijsveld te
kritiseren, mezelf daarbij inbegrepen. Misschien is dat overcompensatie. Zelf ben
ik namelijk redelijk mislukt in bijna alles. Ik wilde eerst zeeman worden, toen journalist, maar ik studeerde geschiedenis. Na wat omzwervingen werd ik precies dat wat ik niet
wilde zijn, namelijk leraar, en dat in vakken die ik nooit had willen geven: economie,
aardrijkskunde, klassieke talen ... Toen ik dat een beetje onder de knie had, het zelfs leuk begon te vinden, besloot ik wetenschapper te worden. Toen ik dat was - iets met geschiedenis en theorie van de pedagogische
wetenschappen - wilde ik toch weer liever leraar zijn. Als docent in het vo leefde
ik me daarna flink uit op geschiedenis, filosofie en aanverwante vakken. Om me verder te bekwamen ben ik zelfs
onderwijskunde gaan studeren – om er gaandeweg achter te komen dat veel
onderwijsonderzoek flauwekul is – wensdenken verpakt in onbetrouwbare cijfers.
Kortom: weer iets dat ik niet heb afgerond.
Daarnaast heb ik collega’s
en ’t management op mijn school proberen te verblijden met doorwrochte stukken over al wat goed en slecht ging in in de maatschappij, in het onderwijs, op school, met het
management. Ook dat – je ziet het al aankomen - mislukte. Niet dat die analyses
niet
okay waren, maar blij werden m’n collega’s en werden vooral ook m’n bazen
er niet van. Rene Kneyber hoorde ik leraren laatst oproepen om weer te gaan
roken en zich op school heel erg veel met van alles te gaan
bemoeien.
Zelf ben ik met beide nooit
gestopt, maar van beide vraag ik me af hoe gezond het op de lange duur duur is.
Mij kostte al dat bemoeien in ieder geval bijna m’n baan.
Sinds een jaar of twee, drie verspreid ik dat
wat ik schrijf niet meer alleen op school maar gooi ik het op een
blog. Andere schrijfsels werden gepubliceerd, bijvoorbeeld in
Het Alternatief – u welbekend mag ik hopen-, in
Flip the System, de
Engelse versie daarvan en recentelijk ook in
Het Alternatief deel II – waarover later meer.
Dat lukt al beter, zou je denken: die
boeken worden goed gelezen en zeker
Het Alternatief heeft in Nederland
flink wat invloed gehad. Ook m’n blog wordt best druk bezocht. Jammer
alleen, vind ik zelf dan, dat een en ander tot zo weinig tegenspraak, tot
echte, fundamentele discussie leidt. Want daar houd ik van – heel on-hollands is
dat – van fundamentele discussie, van woordenstrijd tot op het bot.
pathos 1
Om die toch op gang te helpen ben ik de
laatste tijd zogezegd tot het randje gegaan. Niet gehinderd door enige bescheidenheid heb op mijn blog het laatste halve jaar de vloer aangeveegd
met de vo-raad, met het poldermodel, met schoolleiders en andere baasjes,
met besturen en bestuurders, met excellente scholen, met het hele
onderwijsbestel. Daar zat, laat ik daar eerlijk in wezen, veel woede in,
persoonlijke frustratie over wat ik recentelijk op mijn eigen school, met mijn
bestuur en met mijn schoolleiders heb meegemaakt. Maar ook nu ik weer in
rustiger vaarwater verkeer maak ik me zorgen over de manier waarop
onderwijsbeleid in dit land tot stand komt, ja, over de manier waarop ons
bestel anno nu functioneert. En een
beetje pathos, een beetje
radicalisme, een beetje stoken, dat kan nog steeds geen kwaad. Dat ga ik hier
ter plekke dus ook vrolijk doen – zonder bitterheid, zonder wrok, maar
analytisch, opbouwend en constructief. De stelling die ik -niettemin of juist
daarom wil- verdedigen is: het onderwijs
in Nederland moet radicaal veranderen :)
Schrik niet! Ik ga het niet hebben over de
ontplooiing van authentieke zelven in en door het onderwijs – of zoiets. Die
authentieke zelfven bestaan helemaal niet, en onderwijs moet veel meer doen dan
het kind zich laten ontplooiien. Ik ga het dus ook niet hebben over onderwijsvernieuwing – teveel guru’s al hebben
we langs zien komen die maar niet konden begrijpen dat hun idee misschien wel
hier werkt, maar niet per se daar van toepassing is. Onderwijs is een situationeel ding. Wie algemeen
geldige recepten eraan wil verkopen is een kwakzalver. Sterker nog: ik geloof
er niet in dat onderwijs – het onderwijzen - radicaal anders kan en moet dan nu. Over het algemeen doen we het allemaal best goed. Wel denk ik
dat de structuren waarin we daar vorm aan geven niet meer van deze tijd
zijn, dat die beter kunnen, beter moeten. Ze zijn weinig
transparant en vooral weinig democratisch. Leraren, ouders en ook kinderen
worden nog altijd weinig betrokken bij hoe het onderwijs, hoe beleid zich
ontwikkelt. Ergo: niet het onderwijs,
maar het bestel moet radicaal veranderen!
huizen

Vorige week was Hubert Moelleman opeens weer
in het nieuws. Als topman van een bedrijf dat doet in goedkope huurwoningen
scheurde hij in een enorme patserbak met blauw nummerbord door Amsterdam. Nu is hij
berooid en staat hij terecht voor oplichting, valsheid in geschrifte en
meineed. Deze
Maserati-man staat symbool voor alles wat er de laatste decennia
fout is gegaan in de semi-publieke sector, en terecht, denk ik, treft hem hoon
en blaam. In de berichtgeving over het schandaal, in de media, maar ook in de officiële rapporten gaat het veel over deze man en dit soort mannetjes. Zij zijn een probleem, zeker, maar het aanpakken van hun gedrag, het afpakken van hun auto's, lost niet zoveel op. Het werkelijke probleem is veel fundamenteler van aard - namelijk ethisch, rechtstheoretisch, ja, theologisch zo je wilt.
Even wat geschiedenis. Met de woningwet van 1901 nam de overheid de taak op zich te zorgen voor goede huisvesting van de lagere klassen.
De uitvoering van die wet liet ze voor een belangrijk deel over aan het ‘maatschappelijke middenveld', dat wil zeggen, aan private initiatieven.
Rochdale, of Rogdaele, soals me fader
het sou seggen, werd in 1903 opgericht door gemeente-ambtenaren en had als
doel goede, goedkope huizen te bouwen voor
en door arbeiders. De naam
ontleenden zij aan de
Rochdale Society of Equitable
Pioneers, een groep textielwerkers nabij Manchester die in 1844
een van de eerste productie-cooperaties hadden opgericht. Van grote invloed
waren die, ook in Nederland, door de regels die zij aan coöperatieve bedrijfsvoering stelden -
de
Rochdale
Principles (
link). Het voert te ver die hier allemaal te behandelen, maar denk aan
inspraak voor alle leden, inclusief de vrouwen, een gekozen leiding, lage,
vaste rente,
herinvestering van de winst
in bedrijfseigen doelstellingen plus 10% in onderwijs (!), de plicht tot onderlinge
bijstand, enzovoorts.
zweven
In die vorm, als coöperatieve vereeniging,
bestaat Rochdale natuurlijk niet meer. Hoewel: formeel werd die vereniging pas
in 2003 - na precies 100 jaar - ontbonden. Het gaat me niet om nostalgie naar dit soort oude
organisatievormen hoewel ik, u begrijpt, ze een warm hart toedraag. Met het
verdwijnen van zulke oude structuren, in dit geval een sociaal-liberaal c.q.
socialistisch verband, is er meer verdwenen dan alleen geschiedenis. Door het
wegvallen van die traditie, van de ethiek die daarin besloten lag, hebben de
woningcorporaties, en hebben ook heel veel andere – (ex-)verzuilde - instituties niet
alleen hun identiteit, maar mogelijk zelfs hun legitimiteit verloren.
‘tuurlijk, Ex-verzuilde of half-verzuilde
instituties bestaan en dat bestaan is wettelijk geregeld - en daarmee legitiem. In de regel zijn het echter quasi-bedrijven
geworden die quasi-bedrijfmatig gerund worden, maar die en niet bij de markt, en
ook niet bij de staat horen; als instituties worden zij wel tot het publieke
domein gerekend, maar zijn ze evengoed niet aan democratische controle
onderhevig. Op die manier, geheel zonder
of nog maar met de schijn van een ‘zingevend verband’ kunnen zij enkel en
alleen nog maar zijn, domweg zijn. Bij gebrek aan ankering, echter, in een idee
van waarom ze zijn, waartoe en voor wie, en zonder materieel
of personeel fundament, vooral, in de samenleving, een grote groep mensen die zulke
ideeën dragen, hebben zij geen werkelijke grond meer. Ze zweven.
autoriteit
De
Vlaamse psychoanalyticus Paul Verhaeghe beschrijft in zijn jongste boek het
dreigende of zelfs het reeele verval van autoriteit: met het verdwijnen van God
de Vader als hoogste auroriteit en, in zijn kielzog, de patriarchale
vaderfiguur als de volstrekker van Zijn recht, mist feitelijk alle gezag in onze
samenleving een grond, een archimedisch punt. Wie ben jij om mij wat te zeggen? Uit hoofde waarvan denk jij te kunnen
spreken, en zelfs recht te spreken?
Anderen die zo’n zelfde tijdsdiagnose maken
pleiten daarom luidop voor een terugkeer naar ‘orde en gezag’, naar vroeger, strenge politieagenten en
ouderwetse leraren. Maar dat werkt niet meer, en is bovendien gevaarlijk. Autoriteit is gezag dat vrijwillig wordt
aanvaard doordat zij als legitiem, als gerechtigd wordt ervaren. Het is een driehoek tussen
een autoriteitsfiguur, een onderworpene en een Idee. Macht daarentegen is gezag
waaraan men zich onderwerp omdat er geen keuze is of lijkt – er is een machtsfiguratie, maar er is geen ‘derde
ding’. Zonder zo'n nieuwe grond voor recht, zonder nieuwe vormen van legitimiteit wordt zulk gezag heel
gemakkelijk geweld – namelijk botte macht waaraan je je maar aan te onderwerpen
hebt, goedschiks dan wel kwaadschiks.
scholen
Tot nog toe heb ik niets gezegd over onderwijs –
oh ja, eenmaal: ouderwetse leraren. Maar de goede verstaander heeft het
natuurlijk al lang begrepen. Ook het onderwijs is in Nederland wel ontstaan namens
de staat, maar vanuit het 'maatschappelijke midden' vormgegeven. En ja, ook ons
onderwijs is inmiddels zo’n raar tussending geworden, zwevend tussen ‘markt’ en
‘staat’, met nog een waas van middenveld er doorheen nevelend. En dat is problematisch. To say
the least.
In HetParool ($) riep Rik Seveke, programmamaker van De Balie vorige week
onderwijsbestuurders op om zich meer te laten horen en zich actief in te spannen
voor onderwijsvernieuwing en – verbetering. Een Amsterdamse schoolbestuurder
gaf daarop in dezelfde krant lik en stuk door boodschapper Rik af te branden, maar pakte de handschoen niet op. Ik weet
niet of hij nu hier is, maar ik zou de vraag nog scherper willen stellen: uit hoofde waarvan besturen bestuurders
eigenlijk nog scholen?
Het antwoord is – althans in
tweederde van de gevallen: namens de ouders, namens het 'maatschappelijk
middenveld' georganiseerd in levensbeschouwelijke en – in mindere mate – pedagogische
verbanden. Dat middenveld is, ik constateerde het net al,
ernstig geërodeerd. In de keuze van scholen speelt levensbeschouwing,
Paul Schnabel merkte het onlangs ook op, nog slechts een marginale rol. Toch zijn in ons onderwijs
de oude, verzuilde kaders goeddeels blijven bestaan. Door fusie en krimp is en
wordt er wat geschoven, maar het landschap lijkt – van een afstandje althans –
nog steeds op dat van 1920. Is er niets veranderd? Jawel: de afstand
tussen bestuurders en bestuurden is op sommige plekken oneindig veel vergroot.
En: in het openbaar onderwijs valt het bestuur op veel plekken niet meer toe
aan de gemeente, maar aan een verzelfstandigde stichting, een club die soms een
enkel schooltje bestuurt, soms ook meer dan honderd. Kolossaal.
vrijheid
Die situatie is wonderlijk. In Nederland heeft
de overheid over het onderwijs niet zo heel erg veel te zeggen – althans
formeel. Terwijl zij aan de ene kant steeds meer verantwoordelijkheid heeft
afgegeven aan steeds minder schoolbesturen probeert zij toch – en ook dat steeds
meer – grip te krijgen op wat scholen doen en zijn. Voor of na Dijsselbloem,
het maakt niet uit: ook in het onderwijs wil de overheid heel graag sturen. Daar
kun je wat van vinden – dat doet u misschien ook – maar van overheidsbeleid
kunnen we in ieder geval nog denken dat het gelegitimeerd is – namelijk
democratisch – via verkiezingen. Ook schoolbesturen – werkgevers in
polderjargon – duwen en sleuren: richting scholen en hun leerkrachten. Dat immers
is hun werk, hun plicht. En richting de overheid: dat immers is hun rol, hun bijna rituele taak. Maar namens wie doen ze dat ook alweer, uit hoofde waarvan en
waarom? Ik weet het niet. En wie precies kan daar nog invloed op uitoefenen?
Ouders, leraren? Leerlingen? Ik zie het niet.
Tegelijk oefenen allebei, overheid en
besturen, op al die genoemde groepen macht uit, geweld zo je wilt, in de vorm
van regels, voorschriften, procedures, toezicht, toetsen, arbeidsvoorwaarden, ja, ook en vooral in
de vorm van symbolen, rituelen, taal. Anderen hebben dit geframed als een ‘afrekencultuur’
– een woord dat ik persoonlijk heel lelijk vind. Het gaat om een
performativiteits-vertoog – da’s dan weer een moeilijk woord – dat gevoed wordt wordt door
bedrijfseconomische en bestuurskundige modellen die wringen, zo is mijn
overtuiging, met de doelen en waarden die in onderwijs centraal staan. Zij roepen structuren en beleidsculturen in het leven die scholen, leraren, ouders
buitenspel zetten, en die van de veelbezongen ‘vrijheid van onderwijs’ een dode letter dreigen te maken. Wonderlijk, ik zei het al, want die 'vrijheid' is precies de reden waarom die besturen er eigenlijk zijn ...
Wel wordt het minder, lijkt het, minder dwingend
althans. De ‘afrekencultuur’ annex het 'rendemententsdenken' staat inmiddels in
kwaad daglicht. Vooral leraren roeren zich en bemoeien zich nadrukkelijk ook met beleidszaken en -taken. Zo ziet het er bijvoorbeeld naar uit dat zij na het advies van Paul Schnabel rond Onderwijs2032 inderdaad, zoals gevraagd (link), nadrukkelijk betrokken zullen worden bij de vormgeving van nieuwe
curricula.
Niettemin blijft de dominante
modus er een van verticale verantwoording, van boven naar beneden en terug, en
wordt er in het onderwijs, net als in de zorg, enorm veel nutteloos,
bureaucratisch papierwerk gedaan dat niemand wil doen en waarvoor ook veel
opdrachtgevers zich stiekem schamen. Nogmaals: namens wie of wat wordt dit
allemaal gedaan? Van wie, met andere woorden, kunnen we anno 2015 zeggen, is het
onderwijs? Van ouders? Van ons allen? Van de besturen, van de staat? Van het
bedrijfsleven misschien? Dat was het fundamentele probleem in de 19e
eeuw dat we aan het begin van de 20e eeuw ‘typisch hollands’ hebben opgelost. Maar hoe zit het anno 2015?
Hebben we er nog een antwoord op? Ja: het is van al die 'stakeholders'. Maar waarom spreken dan niet al die stakeholders er op gelijke voet erover mee?
probleem
Nergens hebben leraren zoveel vrijheid in hun
doen en laten als in Nederland. En nergens zijn leraren al zo ver, dat ook, in
het bevechten van invloed op beleid en bestuur, op allerlei niveaus – met dank
aan Het Alternatief en andere
initiatieven van leraren die al dan niet bottom-up georganiseerd zijn. Vrijwel nergens ook ter wereld kunnen ouders
uit zoveel scholen kiezen. En wat de kinderen betreft: ze zijn de gelukkigste
ter wereld. Stomverveeld, ongemotiveerd, dik en brutaal, dat dan weer wel, maar
toch: gelukkig. Wat izz de probleem, meezter?
Het werkelijke, echt dringende, meest nijpende
probleem is natuurlijk nog altijd dat van de kansenongelijkheid die in en door
het onderwijs ontstaat, en die in Nederland schrijnend is. De Minster van
onderwijs, zo berichtte de
Trouw vanochtend, maakt zich er zorgen over – wat
goed is, maar wel een beetje laat en met een beperkte focus. Helaas ben ik niet
degene die daarover het beste iets kan zeggen. Ik zou graag het woordje
‘middenschool’ in uw midden werpen, maar ik weet dat dan de beer los is. Hoe
dan ook: de meer abstracte concepten waar ik met meer gemak over spreek houden ergens
wel verband met on/gelijkheid. Ik heb het over democratie en participatie.
pathos 2
De school zie ik in de eerste plaats als een 'leertuin’ voor de democratie, een plek waar kinderen zich actief voorbereiden
op een geslaagd en vreedzaam leven met vele anderen. Het is belangrijk dat de
school niet alleen ruimte biedt voor leerervaringen die democratisch gedrag
bevorderen, het is belangrijk dat zij ook in woord en daad zo’n mini-democratie
is, een plek waar leerlingen, maar ook ouders en docenten delibereren,
participeren, er samen wat van maken.
Daarnaast geloof ik, ik zei het eerder al, niet
dat er standaard-recepten bestaan voor wat ‘goed’ onderwijs, voor wat
kwaliteit is (
link). Goed onderwijs is dat wat wij, docenten, er met en voor de
kinderen van maken. Rankings zijn waardeloos en fnuikend, ICT is geen
wondermiddel, de school is geen productie-unit maar een waardengedreven gemeenschap
die we samen maken. In en door ons eigen
samenwerkingsverband, onze eigen coöperatie, zo je wilt, ontwikkelen we
gaandeweg onze professionele standaarden voor hoe we samen willen werken
– op school en elders. Daar zijn we professionals voor.
utopie
In
Het Alternatief II pleit ik daarom – niet
zonder ironie en met een zweem van balorigheid – voor een
communistisch reveil:
alle macht aan de raden van leraren en
ouders! Zonder tussenkomst van al te grote instituties zouden scholen in eigenaarschap
moeten komen van ouders, en veel meer dan nu bestuurd moeten worden door hen en
door groepen professionele leraren. Terug dus, naar het subsidiariteitsbeginsel,
maar dan echt, met uitgebreide vormen van participatie en democratische
besluitvorming. Voor de details verwijs ik jullie graag naar het boek – dat is
ook los van mijn utopische bijdrage de moeite van het lezen meer dan waard.
Het plan dat ik Het Alternatief II ontvouw zal niet
verwezenlijkt worden. Dat hoeft ook niet. Sterker nog, dat mag ook niet: utopieen moet je koesteren, niet verwezenlijken. Waar
het me om gaat is dat we nadenken, serieus nadenken – en daarin sluit ik me opnieuw aan bij Paul
Verhaeghe – over andere vormen, andere modi
van autoriteit, nieuwe soorten van legitimiteit. Waar God en de Grote Leider ons
niets meer te zeggen hebben, en pappa ook niet meer voetstoots het scepter
zwaait, daar moeten we samen, collectief zorgen voor betekenisgeving, voor een nieuwe
grond voor onze ideeën en onze waarden. Net als woningbouwcorperaties kunnen schoolbesturen
en ja, ook individuele scholen onmogelijk alleen maar ZIJN, zij moeten actief wat
willen betekenen voor voor de mensen die hen vormgeven, voor de mensen die er
dagelijks mee te maken hebben, iets dat uit uitstijgt boven hun directe doel of
werkzaamheid. Dat los je niet op met alleen
accountablility, met verantwoording. Het gaat niet om ‘lerende organisaties’, het begrip dat lag zo hip was, maar dat
meestal heel dwingend, namelijk ‘van boven’ gedacht is maar om leergemeenschappen, waarin alles wat mensen samen
doel bijdraagt aan het leren van iedereen.
leiders
Op de prangende vraag ‘namens wie besturen bestuurders scholen?’ kreeg ik gisteren nog – van een schoolbestuurskundige
nota bene - het antwoord: namens degenen aan wie ze verantwoording afleggen.
Maar dat is circulair en buitengewoon onbevredigend. Meer dan om verantwoording
aan –ex post, op papier- zou het toch
om actieve verantwoordelijkheid moeten gaan. En die kunnen, nee, die moeten we
allen en samen actief dragen. Noties van ‘bestuur’ en van ‘bestuurders’, van management en van ‘leiders’ staan anno 2015 onder druk.
Wie ben jij om van mij iets te verwachte en
op grond waarvan dan wel? In het huidige vertoog is het antwoord vaak
formeel, positioneel, ‘nu-eenmalig’: ‘
omdat
ik nu eenmaal hier zit, en jij niet’ of: ‘
omdat de structuur nu eenmaal zo is’. Een ander populair antwoord
verwijst naar de persoonlijkheid van de leider of de bestuurder, naar zijn
qualiteiten, zijn (en nog altijd erg weinig ' haar') handelen, het vermogen mensen te
‘verbinden’ en ‘mee te nemen’. Legitimiteit wordt daarmee gekoppeld aan een persoon,
hetgeen bij individuele mensen natuurlijk best kan werken. Maar charisma - ook al een religieuze term - is natuurlijk dun gezaaid. En: welbeschouwd is het gewoon een variant op de Grote Leider van weleer. Achter diens vermeende gezag gaapt nog
steeds een Heel Groot Niets.
Veel beter dan zelfbenoemde leiders kunnen de
mannen van de Rochdale Society of Equitable Pioneers
ons vertellen wat ons te doen staat om dat gat, dat uiteindelijk
een moreel, een transcedentaal gat is, te dichten. Samen moeten we nieuwe kleine verhalen leren vertellen over wat we doen op
school, hoe en waartoe. Voor zo’n nieuw pedagogisch reveil, voor zo'n democratische
herorientatie op de school als polis hebben we minder, veel minder bestuur nodig en veel meer gezag –
collectief gedragen, democratisch gelegitimeerd gezag. Ik nodig u allen uit
daar samen over na te denken.
Alderik Visser
28 oktober 2015
in een allerlaatste stuk over bestuurskundige
zaken
en met dank aan Hartger Wassink
Literatuur
Bos, R. ten (2015). Bureaucratie is een
inktvis. Amsterdam: Boom
Verhaeghe, P. (2015). Autoriteit. Amsterdam:
Boom
Visser, A. (2013). Marktfilosofie,
Onderwijsutopie. Leraren tussen ‘ leefwereld’
en ‘systeem’. In: Kneyber, R., Evers, J. (red.) Het Alternatief. Weg
met de Afrekencultuur in het Onderwijs. Amsterdam: Boom.
Visser, A. (2015). Testing Towards Utopia. Pedagogy, Performativity and the Teaching
Profession. Kneyber, R., J. Evers (eds.) Flip the System. Changing
Education from the Ground Up Abindon
(e.a.): Routledge. 11 – 21
Visser, A. (2015). Alle Macht aan de Raden?!
Management, medezeggenschap, maatschap. in : Kneyber, R., (red.) Het
Alternatief II – De Ladder naar Autonomie. Culemborg: Phronese 106 - 121
Wassink, H. (z.j.). Macht uit de Schaduw. De kracht van de Dialoog (in voorbereiding)