donderdag 2 juli 2015

Rapportvergaderingen

over onderwijsantropologie

Deze week worstel ik me door de rapportvergaderingen heen. Ik vermoed dat velen onder jullie dat deze week, anders wel volgende week zullen doen, of zelfs al hebben gedaan. Een worsteling is het niet alleen vanwege het weer (34 graden, sick building, van 12.30 tot 17.30 uur….), of vanwege m'n chronische vermoeidheid aan het einde van het jaar. Een worsteling is het namelijk altijd: sociaal, emotioneel, principieel. Wie ben ik, wat zijn wij, om te kunnen, te mogen oordelen over kinderen? Hoezeer ben ik, zijn wij gerechtvaardigd om beslissingen te nemen die koersen van levens bepalen kunnen? Doen we dat goed en juist? Kan het beter, anders? Luctor et submergo




Vergadercultuur
Nederland vergaderland. Naar verluidt wordt er nergens meer vergaderd dan in dit kikkerland. In de spreekwoordelijke polder moet er vaak collectief gekwaakt worden. Niet om beslissingen te nemen of om acties te plannen: vaker niet dan wel wordt dat soort dingen ook echt gedaan. In de polder gaat het er vooral om iedereen het gevoel te geven dat er naar hem of haar geluisterd is. In zo'n concordantiemodel houdt dat het midden tussen democratische inspraak en repressieve tolerantie: nadat iedereen z’n zegje heeft gedaan gebeurt er in de regel toch wat er zoal gedaan wordt c.q. waar van boven meer of minder zacht op is gestuurd. Vergaderingen hebben mede daardoor een hoog ritueel karakter. Echt gediscussieerd, met fel getoonzette, goed onderbouwde meningen, zoals je dat in Duitstalige landen wel meemaakt, wordt er zelden. Het belangrijkste, vaak zelfs het enige èchte vergaderpunt staat nooit op de agenda: wie heeft er in de organisatie, in het team de meeste formele dan wel informele macht?

Oordelen
Driemaal per jaar zijn er op mijn school rapportvergaderingen. In de eerste twee rondes zijn dat in hoge mate ‘gewone’ vergaderingen - in de betekenis die ik daar net aan gaf: rituele dansjes. We praten wat over de cijfers, het gedrag, de voortgang, soms ook de ontwikkeling van individuele kinderen in de context van hun klas, mopperen veel over motivatie, geven richtingen van handelen aan, spreken intenties uit, maar beslissen de facto heel weinig. 
Hoe anders is dat aan het einde van het jaar. Hetzelfde gekwaak over cijfers en handelingsdelen, motivatie en echte psychologische ellende leidt nu wel degelijk tot beslissingen, tot spijkerharde oordelen zelfs. Over! Zittenblijven! Afstromen! Opstromen! Ander onderwijs!. Dat zijn stevige ingrepen soms in levens van pubers die de richting, het verloop ervan potentieel kunnen bepalen. Rapportvergaderingen worden overgangsvergaderingen - en die geven een andere dynamiek, een ander gevoel. Er staat iets op het spel...

Spanning
Terecht worden zulke beslissingen ter vergadering niet licht genomen. Overgangsvergaderingen ervaar ik in ieder geval als intensief, zwaar, een meer dan serieuze aangelegenheid, een verantwoordelijk gebeuren. Elders sprak ik al eens over de latente spanning tussen ‘systeem’ en ‘leefwereld’ in de school. Op geen moment lijkt die meer manifest dan tijdens deze slopende sessies. 
Ja, het is goed dat er duidelijke normen en cesuren zijn, protocollen van vergadering en stemming. Iedereen moet zo mogelijk op identieke wijze beoordeeld en behandeld worden om rechtsongelijkheid te voorkomen. Maar ja, het is óók goed en juist om elk geval als apart te behandelen, elk kind in haar eigen context waar te nemen en daarrond zo nodig de regels te buigen. Nee, het is – in de bestaande beleidscontext althans - niet per se slecht dat schoolleiders steeds ook met een scheef oog kijken naar de gevolgen van beslissingen voor ‘de statistieken’, voor de organiseerbaarheid van school. Maar nee, het is tegelijk ook niet noodzakelijk naïef of kwalijk dat de docenten in hun rol als pedagogische professionals diezelfde statistieken ter plekke negeren.

Strategie
Ik ben – het verbaast je misschien niet – danig schuldig aan het laatste. Als mentor kreeg ik de afgelopen twee jaar steeds ongelofelijk veel kinderen in HAVO 3 ‘overgeluld’ naar de vierde. Daar was en ben ik trots op: ik kan dat goed, ik weet hoe dat te ritselen. In ben een overgangsvergaderingsstrateeg. 
Is het goed om dat te zijn? Een aantal van m’n vroegere mentor-leerlingen is dit jaar gezakt, blijft zitten, velen ook niet… Ik twijfel, ik twijfel steeds en veel, maar maak net als iedereen de hele tijd beslissingen, vel hele middagen oordelen. Intuïtief (,"Ja". "Nee". "Tegen", "Voor"). soms ook volkomen hypothetisch. "Ik zie haar in de toekomst voor mijn van geen voldoende halen" Professionele intuïtie of louter giswerk?
Gehoord hebbende de afwegingen ter vergadering, met inachtneming van alle bekende omstandigheden en de belangen van het kind worden goede oordelen geveld. Zeker. Ze zijn het resultaat van collectieve deliberaties, op grond waarvan er democratisch wordt gestemd. Docenten beslissen daarbij op basis van een combinatie van hun eigen overwegingen met betrekking tot hun vak in samenhang die van de anderen en hun respectievelijke vakken, in de context van het geheel van de feiten. Daarbij werkt de genoemde spanning tussen ‘systeem’ en ‘leefwereld’ misschien ook objectiverend, in de zin dat verschillende belangen tegen elkaar worden afgewogen en zo tendentieel worden ‘uitgemiddeld’. Maar toch, of juist: ik ben en blijf een overgangsvergaderingsstrateeg, en ik ben niet de enige.

Antropologie
Ik kan het niet bewijzen - er zijn geen data, er is geen onderzoek. Maar ik weet het echt zeker: het maakt uit hoe een kind op zo’n vergadering in bespreking wordt gebracht, welke dynamiek er op welke manier in gang wordt gezet. Wie zegt er het eerste wat? Hoe wordt welke toon gezet? De rol van de mentor en/of de voorzitter van de vergadering lijkt cruciaal, maar ook de informele hierarchie tussen vakken, tussen individuele docenten, de relaties tussen de aanwezigen, de volgorde van de vaak hoofdelijke stemming....  Deze en allerlei andere ‘zachte’ factoren en processen beinvloeden de uitkomst van overgangsvergaderingen. Ontegenzeggelijk. Onvermijdelijk. Zo gaat dat wanneer groepen professionals samen moeten oordelen.

Als ik geld en tijd zou hebben, een fikse beurs van de NPO, zou ik er onderzoek naar willen doen. “Onderwijskundige antropologie: symbolen en rituelen van de overgangsvergadering. Zoiets. Of, nog beter misschien: “Naar een fenomenologie van de lerarenvergadering. “ Ik zou willen weten hoe dát groepsproces, dat we vandaag nog, morgen, volgende week allemaal moeten doormaken bemiddelt tussen bergen quasi-objectieve cijfers aan de ene en onze individuele en collectieve ervaring van enkelvoudige kinderen aan de andere kant. Fascinerend onderzoek lijkt me dat.

Waarnemen
Zou het ook nuttig zijn? Zou zo'n onderzoek de ‘kwaliteit’ van het overgangsgebeuren verbeteren, de beoordeling meer ‘objectief’ kunnen maken? Ik denk het niet. Met, maar ook zonder cijfers – ik zeg het maar meteen – zullen de vergaderingen zeker niet ‘objectief’ worden. Dat kan ook helemaal niet: elke soort beoordeling, elke maat van gedrag, presteren of potentie draagt noodzakelijk subjectieve elementen in zich. Individuele kenmerken van docenten en ook het groepsproces zullen storende factoren blijven. Dat kan niet anders en is ook goed – onderwijs is immers geen techniek maar een kunde, een sociaal proces ook waarin emoties en oordelen belangrijk zijn en blijven. 

Niettemin zou het goed zijn als we af en toe meer analytische afstand nemen van processen als deze, er kritisch en zelfkritisch, en vooral ook open naar durven kijken. In die zin denk ik écht dat zo’n antropologie of fenomenologie– niet alleen als een daadwerkelijk onderzoek, dus, maar ook als houding, als professionele aanpak op elke school, heel nuttig zou zijn. Concreet: In het ideale geval heeft elke bevorderingsvergadering niet alleen een voorzitter maar ook een waarnemer, liefst zelfs twee: een procedurele en een ‘groepsprocesmatige’. Waar de eerste direct in kan grijpen bij afwijkingen van het protocol, koppelt de laatste steeds na een zitting, of een hele rits daarvan terug: wat gebeurde er tijdens deze meeting(s), wat verklaarde de stemming tijdens, voor of na de stemming? Waarom lijkt het erop dat de mening van x steeds aldoor minder meeweegt dan die van y?
Waarom wordt er over leerling a op een heel andere manier gesproken dan over leerling b?

Zulke reflectie is nuttig, voor ieder en voor het geheel,  en leert ons misschien beter te dealen met onze eigen blinde vlekken in juist zulke complexe, en in dit geval ook beslissende processen. Misschien is het uiteindelijk toch wel dienstbaar aan de kwaliteit van de beoordeling, maakt het die meer rechtvaardig en gerechtvaardigd. Misschien. Maar vooral is  het, ik geef het grif toe, een rem op mij en op de andere strategen. Laat hen (mij) dan in godsnaam maar de antropologen zijn :)

Alderik

(in rapportvergadering)

Geen opmerkingen: