Posts tonen met het label CITO. Alle posts tonen
Posts tonen met het label CITO. Alle posts tonen

woensdag 10 juni 2015

Kapot Goed: Over Excellentie

The idols of the market are the most troublesome of all, those namely which have entwined themselves round the understanding from the associations of words and names. For men imagine that their reason governs words, while, in fact, words react upon the understanding;
Francis Bacon – Novum Organum or true suggestions for the interpretation of nature (1620), Aforisme LIX



Woorden gaan met ons aan de haal. Tien jaar lang raakten we op school niet uitgepraat over ‘vaardigheden’ en ‘competenties’. Even was daarna alles ‘talent’ wat de klok sloeg, en nu is er dus ‘excellentie’. Natuurlijk, dat begrip is al een tijdje en vogue – sinds 2008 om precies te zijn – maar het gebruik ervan heeft de laatste jaren zo’n vlucht genomen dat het, zoals zoveel modebegrippen, ernstig aan inflatie onderhevig is. Hoe is het zo gekomen? Wat kan het anno 2015 nog betekenen? En als blijkt dat dat niet zoveel meer is: wat stellen we ervoor in de plaats?




Pyrrhus
De recente geschiedenis van het woord ‘excellentie’ heeft veel van een tragedie. Dat zit zo. Sinds de jaren ’70 van de vorige eeuw strijden ouders van bovengemiddeld slimme kinderen, ondersteund door wat wetenschappers, voor erkenning van hoogbegaafdheid als een serieus te nemen verschijnsel. Daar gebeurt in de jaren ’80 en ’90 in de marge wel wat mee, maar noch in de politiek, noch in de populaire cultuur kunnen zulke ‘elitisten’ op veel begrip of steun rekenen. Ga toch fietsen met je zogenaamde hoogbegaaafdheid!

Een doorbraak wordt geforceerd als in 2007 de Leonardo-stichting aantreedt met het voornemen eigen scholen voor bolleboosjes op te richten. Dat lukt en krijgt veel airplay, maar kan zeker achteraf ook als pyrrhusoverwinning worden gezien. Niet omdat die Stichting inmiddels alweer roemloos ter ziele is gegaan, maar juist doordat haar impuls door de politiek nu wel gretig wordt opgepikt – om vervolgens te worden omgebogen. Samengevoegd met al wat ouder beleid rond zgn. Honours-trajecten op universiteiten wordt aandacht voor ‘hoogbegaafdheid’ rond 2008 herlabeld tot ‘excellentiebeleid’. Per direct wordt daarmee een aanval ingezet op een reële of vermeende of ‘gelijkheidsdenken’ in Nederland – dat qua onderwijs zou leiden tot middelmaat, zesjescultuur, gebrek aan ambitie, ronduit onderpresteren onder leerlingen zowel als onder leraren. Met het oog op de PISA-rankings, de opkomst van de Aziatische Tijgers en sowieso moet dat in tijden van reëel bestaand neoliberalisme bestreden. Competitie is is goed!

Hippe concepten hebben de neiging snel te verwateren. Opgewipt uit haar oorspronkelijke context – cognitief begaafde kinderen en studenten – kan sinds 2011 grofweg alles en iedereen ‘excellent’ zijn of lijken: leerlingen en studenten, inderdaad, maar ook opleidingen, scholen, leraren, vakmensen – ieder op z’n eigen niveau en zulks ook per stad of per regio. Anno 2015 lijkt ‘excellentie’ al met al een onderscheiding te zijn die niet meer werkelijk onderscheidend is.

Uitbijten
Wie ‘excelleert’ in iets is niet zomaar een beetje, maar buitengewoon goed. Kapot goed. Op dat vlak – vaak op meerdere vlakken – stijgt zij letterlijk boven anderen uit, zodanig dat zij daarvoor lof verdient, een stempel met een ferme krul van juf of mees’. Zulke uitnemendheid is zeldzaam. Om het te herkennen gebruiken, nee, suggereren we vaak een maat, een schaal waartegen prestaties worden afgezet. 
Statistisch is dat helder: uitmuntend is die prestatie die, vertaald in meeteenheden, twee tot driemaal de standaardafwijking hoger ligt dan het gemiddelde van de populatie. Een uitbijtertje dus. In de Verenigde Staten ben je al ‘hoogbegaafd’ met een gemeten IQ dat hoger is dan 120. In Nederland gaan we meestal uit van een limiet van 130. De kans om zo’n etiket te krijgen is in de VS daardoor 1%, in Nederland een luttele 0,2 %.
Het gaat er niet om welke van deze cesuren de beste (!) zou zijn. Belangrijk is hier om vast te houden: het doet er blijkbaar toe welke maat je neemt en ook hoe je die interpreteert. Daarnaast kunnen we ons afvragen in hoeverre alle soorten van ‘prestaties’, niet alleen van individuen, maar ook van instituten als scholen, inderdaad op zo’n manier te kwantificeren en onderling met elkaar te vergelijken zijn. En ook als dat zou kúnnen, moeten we dat dan ook wíllen?

Idols
De Staatssecretaris van onderwijs is een liberale activist. Hij houdt het niet bij proefballonnetjes alleen, maar pakt graag lekker door met leuke dingen. Sinds drie jaar bestaat er zo een interscolaire beauty-contest met als prijs de titel: ‘excellente school’. Daarbij is er – toegegeven – niet één winnaar, maar mogen jaarlijks meerdere scholen met eer gaan prijken. Niettemin is het uitreiken van zulke predikaten bewust competitief gedacht: ‘excellente’ scholen kunnen tot voorbeeld strekken van zulke die dat niet zijn, hetgeen in een mix van kennisoverdracht en concurrentie tot een algeheel hoger onderwijspeil moet leiden. Quasi-marktwerking in een hogere versnelling, kortom, met een overheid als keurmeester van haar eigen waar. 

Voor deze bestuurlijke variant van idols kunnen scholen zichzelf nomineren. Aanvankelijk riep dat het commentaar op dat je “toch niet gaat bedelen om een Michelin-ster”!? Maar disours is dwingend. Medewerkers van de UvA mogen de barricaden op gaan tegen het diabolische ‘rendementsdenken’, tot op dato zullen ze elk voor zich gespannen-angstig de lijstjes, rankings, citatie-scores in de gaten houden. En precies zo doen ook kritische schoolleiders inmiddels vrolijk mee aan de indianendans om het charisma van ‘excellentie’ te krijgen.

Bureaucratie
Ingevolge de ‘ijzeren wet van het liberalisme roept dit circus een enorme berg nieuwe bureaucratie op. Aspirant-excellenten moeten aan een commissie dezelfde pakken geduldig papier leveren als aan de inspectie zelf. Die gelegenheid-club worstelt zich niet alleen door deze mappen heen, maar neemt ook ter plaatse polshoogte. Daar praat ze met vooraf geselecteerde / goed geïnstrueerde groepen docenten, leerlingen en/of ouders, loopt al dan niet onder begeleiding een rondje door school en vinkt knikkend wat lijstjes af. Wat precies hun criteria zijn is niet helemaal duidelijk. Wie er de rapporten op naleest krijgt de indruk dat naast de ‘normale’ data – troughput en output van de grondstof leerling – vooral organisatorische en onderwijskundige kenmerken een rol spelen – procedures, differentiatie, excellentiebeleid (!), ‘leuke’ dingen… 


Opmerkelijk is wel dat het startpunt van de beoordeling een eigen presentatie is, vergezeld van een portfolio dat de school zelf heeft aangeleverd. Stroken de bewijzen van buitengewoon handelen die daarin zijn opgenomen met de meetgegevens van de inspectie, in combinatie met de indrukken die de commissie heeft opgedaan? Vanzelfsprekend doen zij dat :-). Zelfs op de lerarenopleidingen hebben ze het inmiddels geleerd: assessments op basis van portfolio’s leveren sociaal wenselijke prietpraat op, papieren tijgers die nauwelijks determinerend zijn of werken. Het kan daarom ook geen verwondering wekken dat het aantal ‘excellente’ scholen in twee jaar tijd zodanig is gestegen dat het predikaat zelf nauwelijks nog een asset is. 

Politiek
Is er een grond voor al dit cynisme? Zeker. De notie van ‘excellentie’ in het onderwijs veronderstelt dat we weten hoe precies ‘onderwijskwaliteit’ te definiëren is. Dat is niet zo. ‘Excellentie’ zorgt er bovendien voor dat zij die toch al meer hebben méér zullen krijgen, en bestendigt daarmee de sociale ongelijkheid in dit land.

Er is niks mis mee om te erkennen dat er verschillen zijn – tussen mensen, tussen klassen, tussen boeken, gedichten. Vaak voelen we zulke verschillen voor onszelf wel aan, haarfijn, intuïtief. In het geval van leerlingen en scholen, soms ook in dat van leraren, zijn kwaliteitsoordelen echter vaak verbonden met belangen, privileges, status, enz. Het komt er in dat geval op aan goed te definiëren wat we precies onder ‘kwaliteit’ verstaan, en hoe we die mogelijk objectiverend gaan vaststellen.

Rekenmeester Jaap Dronkers weet hoe dat moet: hij berekent op basis van beschikbare cito-data de toegevoegde waarde van scholen, gecorrigeerd voor populatiekenmerken, en stelt zo vast welke het beter doen dan anderen. (Donkers 2015). Dat zijn (mogelijk) niet de basisscholen die het predikaat ‘excellent’ hebben gekregen. Bij gebrek aan transparantie over de procedures is niets helemaal zeker, maar op het gebied van ‘toegevoegde waarde’ behoren ‘excellente scholen’ in het po eerder tot de subtop dan tot de top. Dat zegt niet per se iets over die scholen, dat zegt in ieder geval iets over de rekenmethodes van meester Jaap. Die zijn omstreden, to say the least, maar daar gaat het hier niet over. Belangrijk is om – nogmaals- te benadrukken dat kwaliteit niet een gegeven grootheid is, maar een keuze: het maakt uit hoe je er naar kijkt en het wenst te meten. Kwaliteit is politiek.


Matthaeus
Voor het vo blijkt het onmogelijk zulke berekeningen te maken. Het ontbreekt aan betrouwbare data, o.a. ook doordat we niet weten welke scholen zich wel, welke zich niet hebben aangemeld. Ennuh, wat zijn nou ook alweer de criteria?  Wie door de lijst van ‘excellente’ vo-scholen scrollt komt veel usual suspects tegen. Stedelijke Gymnasia, TTO-scholen. Verrassend is die ene praktijkschool, dat paar vmbo- of zelfstandige mavo-scholen. Mooi is dat, echt! Maar de indruk kan niet worden weggenomen dat déze ranking van scholen precies dat doet wat álle rankings potentieel doen, en wat ook eerder al is gesignaleerd als pervers effect van de liberale maakbaarheidsgedachte: zij vergroot verschillen mogelijk meer dan dat ze die verkleint (vgl. Visser 2013).

Stedelijk Gymnasium x spreekt de meest talentvolle leerlingen (c.q. hun ouders) uit de wijdere omgeving aan, inderdaad, vooral die uit de betere milieus. Al dan niet openlijk kan zij uit dat aanbod kiezen, zoals ze ook over belangstelling van goed gekwalificeerde leraren niet te klagen heeft. Blijkt nu dat ook voor de excellentie-commissie de gemiddelde cijfers voor de ‘kernvakken’ zwaar meewegen, dan hebben scholen met veel kansrijke kinderen een flink hogere kans om ‘excellent’ te zijn of te worden. ‘Rijke’ scholen krijgen (ik chargeer) hun etiketjes bijna gratis: alles een kwestie van economie / demografie. ‘tuurlijk Kloppen leiders van ‘excellente’ scholen zich graag op de borst, ook als ze daar dus praktisch niets voor hebben hoeven doen. In hun kwaliteit als ‘excellent’ leider worden ze van nu af aan hoe dan ook vaker aan de dis genood om met de Staats' van gedachten te wisselen over verdergaand onderwijs- en excellentiebeleid. En zo is de cirkel andermaal rond: "Want een iegelijk die heeft, dien zal gegeven worden, en hij zal overvloedig hebben" (Mt. 25.29).


Hoedanigheden
Qualia zijn ervaringen zoals die zich voordoen in het bewustzijn. Zij stellen filosofen, neurologen, programmeurs voor een onoplosbaar probleem: hoe kunnen dezelfde prikkels bij andere mensen, soms ook bij dezelfde, andere belevingen oproepen, een andere intensiteit van geur, kleur, ja, zelfs van vorm en gewicht? 
Qualia is het meervoud van qualis, hetgeen weer de oorsprong is van het woord ‘kwaliteit.’ In die oorsprong is het woord niet op zich waarderend: luie spreektaal heeft van het vragende, het open woord ‘hoedanigheid’ een 'zekere bepaaldheid' gemaakt. Kwaliteit, immers, is in de common sense 'gewoon' schoonheid, duurzaamheid, effectiviteit, efficiency, enzovoorts, etcetera. Bovendien laten we de maat daarvan voor ‘t gemak maar weg: ‘van hoge kwaliteit’ (high quality)  is in onze karige taal ‘kwaliteit’ tout court geworden. Kwaliteitsschool. Kwaliteitsonderwijs – u kent de slogans, de epitheta. In letterlijke zin betekenen ze niets. Ook een ‘kwaliteitsschool’ is niets minder of meer dan een school ‘van een bepaalde hoedanigheid’.

Dat mag een schimmig spel van woorden lijken, zij is hoogst actueel. Vrijdag 12 juni 2015 organiseerde de Onderwijsraad een ‘onderwijsdialoog’ over een mogelijk ándere, bredere definitie van het begrip ‘kwaliteit’. 25 juni j.l. volgde een groot landelijk congres ‘Kwaliteit van Onderwijs’, waar radicaal verschillende perspectieven op goed leren en onderwijzen voor het voetlicht werden gebracht. Kwaliteit, nogmaals, is niet alleen politiek, maar ook wetenschappelijk en bestuurlijk een hot topic.

Veelheid
Terug naar de ‘excellentie’ en haar vaak impliciete kwaliteitsmaat. In het geval van de ‘authentieke’ excellenten – de hoogbegaafde kindjes – is die mogelijk nog wel te voeren, al blijven er hardnekkige problemen rond gemeten potentie (IQ? EQ? creativiteit?) versus realisatie (relatief c.q. absoluut onderpresteren). Bij ‘excellente leraren’ word het al wat moeilijker, hoewel leerlingen, soms ook schoolleiders hier vrij accurate intuïties over hebben. Nietemin: leraren doen zich voor in heel verschillende hoedanigheden, en kunnen op hele ándere manieren heel excellent zijn.

Ook van scholen wordt erkend dat er meerdere vormen en uitingen van ‘excellentie’ zijn, al blijft het cognitieve, het meetbare totnogtoe bijzonder dominant. Bovenop (?) het al beschreven excellentiecircus gaat ook de Inspectie van Onderwijs in de naaste toekomst anders oordelen. De aloude labels ‘voldoende’ en ‘onvoldoende’ worden binnenkort angevuld met het predicaat ‘goed’ en zelfs ‘excellent’. En dat dunkt me een buitengewoon slecht plan.

Want, ja, nogmaal, er zíjn verschillen. En ja, we houden ‘nu eenmaal’ van lijstjes, van rankings en competities, en menen dat die als feedback hun (economische, onderwijskundige) nut hebben. Maar school-rankings zijn oneerlijk, onzuiver, en in een context van vrije schoolkeus gecombineerd met groeiende sociale verschillen ook ronduit funest. Goed kapot! Het is begrijpelijk dat de overheid ‘waar’ wil voor haar geld, maar het doet geen recht aan de veelheid van scholen, aanpakken, contexten en mensen om de ‘waarde’ daarvan langs één meetlat, of überhaupt met gestandaardiseerde maten vast te stellen – of die nou smal zijn of breed.


Beter nog dan de nieuw te bedenken ‘brede’ definitie van ‘kwaliteit’ zou het zijn te denken in en te zoeken naar veelheid, naar variaties, naar vormen, betekenissen, ervaringen van wat 'goed' / 'uitmuntend' is. Scholen passen zich in het ideale geval bijvoorbeeld aan aan de wensen en noden van hun populatie. Niet buitengewoon 'goed' maar buitengewoon 'sensitief' zou zomaar een ándere maat kunnen zijn - niet boven of onder, maar juist náást een veelheid aan denkbare maten.



In het ‘vrije’ en diverse schoollandschap in Nederland zou kwaliteit / 'excellentie' al met al niet een qualis, maar qualia moeten zijn, niet een zekere hoedanigheid, maar een open vraag naar verschillende hoedanigheden - en de ervaringen daarvan. Guus Kuijer tweette onlangs dat "de vraag of kinderen met plezier naar school gaan, het enige is waar de inspectie naar moet kijken". Dat is kort door de bocht, maar zeker een leuk idee, zoals er ook heel veel ándere 'zachte' factoren zijn waar anders dan met een meetlint naar gekeken kan en moet. Of daar andere woorden, andere begrippen voor te vinden zijn?? Ik weet het nu nog niet. Zaak is dat wij - de leraren van mijn, van jouw school - ze samen, voor onszelf definiëren. En ervoor waken dat die woorden vervolgens niet met ons aan de haal gaan...

zaterdag 7 april 2012

sturen op cijfers geeft perverse impuls

Sturen op cijfers geeft perverse impuls


Het gemeentebestuur van Rotterdam bindt de strijd aan met schooluitval en gemiddeld lage scores in de Maasstad (School moet scoren voor subsidie; Trouw, 25-11-2011). Omdat er óók bezuinigd moet worden, gaat het er ferm aan toe: gaan de gemiddelde CITO-scores en cijfers niet omhoog, dan loopt een school subsidies mis. De wethouder noemt dit 'sturen op kwaliteit',  maar zal bedrogen uitkomen: van zulk soort chantage met cijfers kan het onderwijs alleen maar slechter worden.

De gemiddelde CITO-scores van Rotterdamse scholieren zijn relatief laag. Dat is niet verwonderlijk: de volwassen bevolking van stad en regio  Rotterdam is gemiddeld laagopgeleid en arm. Er bestaat een sterk positief verband tussen sociaal-economische status (SES) van ouders en de schoolprestaties van hun kinderen. Ook al zouden we graag anders zien: armoede en een lage opleiding zijn in Nederland daardoor  nog steeds 'erfelijk'. Om die spiraal te doorbreken sluit de Gemeente nu 'prestatiecontracten' met schoolbesturen: afhankelijk van de samenstelling van de wijk moeten de koste wat kost gemiddeldes omhoog. Zulk beleid klinkt veelbelovend en daadkrachtig, maar zal weinig tot niets uitrichten. Sterker nog: dit soort sturen op cijfers is een regelrechte bedreiging voor de kwaliteit van onderwijs.

Allereerst veronderstelt de maatregel dat scholen de prestaties van leerlingen 'zomaar' kunnen  laten stijgen. Dat is maar tot op zekere hoogte het geval. Vanzelfsprekend zijn er goede scholen en excellente docenten, zulke die meer uit hun leerlingen weten te halen dan anderen. En vanzelfsprekend zijn er ook scholen en docenten die een beetje extra impuls wel kunnen gebruiken. Daar hebben wij een schoolinspectie voor. Die instelling kan ook laten zien dat 'goede' scholen niet per se in Hillegersberg staan, en slechte alleen 'op Zuid', zoals de wethouder wel suggereert. Maar hoe dan ook: het idee dat álle scholen altijd hun kwaliteit nog verder kunnen verbeteren is utopie, pure maakbaarheidsfantasie. Hoezeer hersentjes ook plastisch zijn, het IQ een tijdelijk gegeven, er bestaat zoiets als aanleg voor schools leren. Die aanleg is ongelijk verdeeld over de bevolking - hoewel kinderen met gelijke aanleg in  Nederland opvallend vaak ook bij elkaar op de basisschool zitten...

Dat betekent niet dat de gemiddelde scores en cijfers niet zullen stijgen. Ik gok er zelfs op dat Rotterdamse scholen hun doelstellingen met gemak zullen halen. Hoe groter het belang dat wordt gehecht aan tests en toetsen, zo leren ook ervaringen uit de Verenigde Staten, hoe beter ze worden gemaakt. Niet omdat de leerlingen 'beter' worden, welnee; met de hete adem van de Gemeente in de nek zullen zij leerlingen nog  meer laten oefenen op de CITO-toets, nog meer trainen op eindexamens, de schoolexamens nog gemakkelijker maken, nog meer druk uitoefenen op de brekebeentjes om op de juiste dag ziek te zijn... Worden de belangen heel erg groot, dan zal er inderdaad ook domweg worden gefraudeerd. Dat mag niet, nee, maar de Gemeente lokt dat op deze manier wél uit.

De CITO-toets is ooit ontworpen als een schoolvaardigheidstoets. Meesters en juffen gebruikten het om hun intuïtie over het niveau van een leerling te toetsen en te kijken of de school haar eigen doelstellingen had behaald. Inmiddels is deze CITO-toets verworden tot een 'eindexamen basisonderwijs', op basis waarvan we kinderen op jonge leeftijd voorselecteren voor de arbeidsmarkt. Op menige school doen leerlingen in groep acht inmiddels weinig meer dan oefenen – oefenen – oefenen op een test. Zeker in een stad als Rotterdam zouden ze in dat cruciale jaar veel kunnen leren, over kunst, seks, burgerschap, de wereld, maar nee: wij trainen hen in het maken van multiple choice.

Met het opvoeren van de test-stress zijn de resultaten vooralsnog niet dramatisch gestegen. Wél ervaar ik als docent op een middelbare school in Rotterdam dat de voorspellende waarde van de CITO-toets ook nu al is afgenomen. Daardoor lijkt het erop dat meer leerlingen op basis van de CITO op niveaus geplaatst worden waar ze maar moeilijk me kunnen komen. Soms gaat dat goed – veel geploeter, minimale cijfers – en dat is pure winst. Vaak ook gaat dat niet goed: na 'n paar moeizame jaren stroomt een leerling af naar een ander niveau, of stroomt 'ie uit naar de arbeidsmarkt. Maar beide - de minimale cijfers, de afstroom dan wel uitstroom - moesten juist voorkomen.

De wethouder van Rotterdam zegt dat hij 'stuurt op kwaliteit', maar hij chanteert met cijfers. In de VS en elders is dit soort accountability management alweer een tijdje passé. Het werkt niet, en in het onderwijs zelfs averechts: een nog schraler onderwijsaanbod, meer mismatch tussen leerlingen en scholen, een graduele daling van het onderwijsniveau en mogelijk meer schooluitval. In nog modernere management-boekjes gaat het daarom nu over diepere oorzaken, verantwoordelijkheden, netwerken, motieven en waarden. In het geval van het Rotterdamse onderwijs zou het dus moeten gaan om armoedebestrijding, het versterken van sociaal en cultureel kapitaal, het teruggeven van verantwoordelijkheden aan scholen en docenten en -juist nu – om het verstevigen van het aanbod op het gebied van culturele, kunstzinnige en maatschappelijke vorming. Vooral dat laatste is van levensbelang voor democratie en samenleven in de metropool Rotterdam, maar ja, dat laat zich zo moeilijk meten...