Posts tonen met het label decentralisatie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label decentralisatie. Alle posts tonen

vrijdag 10 juli 2015

Ontpolderen

Afgelopen vrijdag brak de VO-raad, de koepel van onderwijsbestuurders in het voortgezet onderwijs, de onderhandeligen over een nieuwe cao af. Dat is wel ‘ns vaker gebeurd. Nieuw is dat de onderwijswerkgevers de nu lopende cao nietig hebben verklaard. Voor een flinke sector zijn er zo vanaf 1 augustus 2015 geen bindende regels meer. De vakbonden signaleerden eerder al dat werkgevers zich dit jaar in het algemeen stevig, zo niet agressief opstelden. Een ‘hete zomer’ wordt er daarom in ‘de polder’ voorspeld. Dat valt nog te bezien. Maar de vraag dient zich aan: bestaat er eigenlijk wel een onderwijspolder? En zo nee, hoe gaan we er voor zorgen dat iedereen in die sector (weer) echt mag meepraten?


de hedwigepolder - wordt ontpolderd

pseudopolder
In ons ‘poldermodel’ staan werkgevers en werknemers elkaar niet naar het leven, maar werken zij samen. ‘Al eeuwen’,  dat wil zeggen, sinds de Tweede Wereldoorlog zoeken we zo een balans tussen verantwoord macro-economisch beleid en aanvaardbare arbeidsvoorwaarden. Dat wil zeggen: in de marktsector.  
In het publieke - en semi-publieke domein wordt sinds de jaren ’90 van de vorige eeuw geprobeerd soorten van marktwerking te simuleren. Om daar handen en voeten aan te geven zijn onder andere in de zorg en in het onderwijs pseudo-polders drooggelegd. ‘Werkgevers’ in het onderwijs –verenigd in de zogenaamde sectorraden-  onderhandelen met werknemers –‘verenigd’ in een vergaarbak van bonden – over arbeidsvoorwaarden. Dat gaat soms goed en soms ook niet – zo blijkt – maar dat is niet het werkelijke probleem. Het werkelijke probleem is dat die sectorraden vrijwel niets of niemand vertegenwoordigen, ja, de facto een verlengstuk van de overheid zelf zijn.

mantelzorg
Sinds de komst van Paul Rosenmöller probeert de VO-Raad zichzelf te framen als spreekbuis van ‘het onderwijs’. Dat doet ze heel effectief, maar het is natuurlijk apekool. VNO-NCW als dé vertegenwoordiger van ‘de economie’? MKB als dé stem van ‘de marktsector’? Ga hengelen.
Voor de ene helft is de VO-raad een vereniging van bestuurders – mannen in pakken op torenhoge niveau’s in gevaarlijk grote organisaties, vaak zonder ‘krijt aan de jas’. Voor de andere helft wordt zij rechtstreeks gefinancieerd door OC&W om beleid te ontwikkelen waar de overheid zelf de creativiteit, de capaciteit of de bevoegdheid (!) niet toe heeft. Tenslotte – maar dat geldt voor alle sectoren – is de nabijheid van de verenigde bestuurders tot de politieke en de ambtelijke top, de personele overlap met allerhande diensten en instituten in het 'onderwijsveld’ zo groot, dat met recht van een onderwijsoligarchie gesproken kan worden. De VO-raad een polderpartij? Een mantelorganisatie!

vriendschap
Leraren zijn niet in dienst van de overheid maar van besturen. Die krijgen jaarlijks zakken geld om hun scholen toe te rusten, onder andere ook met personeel. Als dat personeel klaagt wijzen de bestuurders naar de overheid: ‘hunnie’ geven ons te weinig. De overheid kaatst die bal terug: ‘zullie’ krijgen zat maar verdelen het verkeerd. Allebei hebben ze gelijk maar beiden spreken slechts de halve waarheid: het ontbreekt hen, overheid én besturen, te enenmale aan grip op de geldstromen. Jaarlijks lekken tienallen miljoenen euro’s in het onderwijs weg. Ook de staatsecreatris weet niet waarheen, maar hij heeft en houdt vertrouwen in ‘het veld’.  Dat ‘veld',  de kleine kern van bestuurders dus, mag al met al lekker doormodderen met gebrekkig toezicht, falende transparatie, het verder ‘uitregelen’ van interne tegenspraak. Als dank onthouden ze zich er graag van,  effectieve politieke druk uit te oefenen – vrinden onder mekaar weet je…

flexleraar
Terwijl Paul Rosenmöller voor de bühne leuke pedagogische plannetjes presenteert, proberen onderhandelaars van zijn VO-raad in de achterkamertjes de effecten van zulk falend bestuur op de leraren af te wentelen. Het loonbod was eerst 0,2% - inflatiecorrectie, niet meer dan dat. Na zeven jaar nul-lijn en afgewaardeerde pensoenen lijkt dat mager, to say the least. In de tweede ronde werd over ietsje meer gepraat – een nieuwe sigaar uit eigen doos -  en wel in ruil voor verslechterde arbeidsvoorwaarden en een onslaught op de pensioenkassen. Ominieus is daarin vooral de aanslag op medezeggenschap: in ruil voor iets meer geld verliezen leraren zeggenschap  (‘hindermacht’ ) over hun werkomstandigheden. 
In beleidsstukken heeft de politiek aldoor het beste met het onderwijs, met leraren voor. Op het oog is er de laatste jaren dan ook veel geïnvesteerd - dat wil zeggen: met gesloten beurzen binnen de begroting geschoven. Daar staat natuurlijk wel iets tegenover. Van leraren wordt veel, ja, steeds meer verwacht. Ze moeten ‘professionals’ zijn of worden en meer verantwoordelijkheid nemen. Het woord ‘eigenaarschap’ is het snoepje van de week.  Maar wat de overheid met één hand geeft, halen haar pittbulls - de schoolbesturen – met de andere hand weer weg. Dus werken leraren komend jaar wéér harder voor precies hetzelfde geld: grotere klassen, meer taken, mogelijk dus ook minder inspraak. En: de flexleraar staat eraan te komen.

uitpolderen
Zoals marktwerking in het funderende onderwijs niet werkt en kan werken zo blijkt ook ‘polderen’ een groot probleem. De grootste partij, de meest belangrijke, namelijk de leraren, zijn en worden vrij structureel ‘uitgepolderd’; en wel door werkgevers die helemaal geen werk geven, maar dat alleen maar organiseren. Namens ouders, namens de samenleving. Losgezongen van die oorspronkelijke opdracht als hoeders van het maatschappelijke middenveld spelen schoolbesturen ‘bedrijfje’ op kosten van de overheid, op kosten van ons allen dus. In de armoedige taal van zulk management zijn docenten in de eerste plaats een kostenpost – de grootste zelfs op het budget. Niet op al die bullshit jobs die bestuurders zelf vervullen, natuurlijk niet, maar op het echte werk, voor de klas, daar kan altijd op bezuinigd worden. Geen centje pijn. 
De bonden kunnen dit alles niet tegengaan. De top van de AoB, de grootste van de drie, zit zo lang al op een kluitje met de oligarchen dat die club haar rol nauwelijks nog serieus vervult. Voor het overige zijn de vakbonden versnipperd, machteloos, bloedeloos, en sowieso niet meer echt representatief; van serieuze tegenmacht kan in de pseudo-polder dus ook al geen sprake zijn.

raden
Op de sociale media gonst het – nou ja, een beetje: we zouden moeten staken. Ja, misschien zouden we dat inderdaad moeten doen. Leraren worden niet geacht te staken, en doen het dus ook weinig. ’t Is immers een roeping, geen beroep ?!  Ik zal meedoen, zeker. Maar ik zal niet staken vanwege het geld. De inzet van mijn protest zal ontpoldering zijn. Weg met die flauwekul!
Laat de overheid direct in gesprek gaan met een nieuw op te richten lerarenraad. Laat haar leraren en docenten direct of via de gemeente een fatsoenlijk loon uitbetalen - dwz: iets dat overeenkomt met de reële werklast en het opleidingspeil. Laat bestuurders besturen, zorg ervoor dat ze dat goed doen, dus controleer dat behoorlijk - ook / juist door externe partijen. Maak dat de VO-raad wordt wat het is of zou moeten zijn: een gezellige sociëteit voor gearriveerde directeuren en uitgediende politici. Maar laat een ordinaire elitaire lobbyclub niet buiten de openbaarheid (mede) het onderwijsbeleid bepalen en/of ‘de markt’ van onderwijs bestieren: ze zijn daartoe politiek en moreel onbevoegd, onbekwaam, en buitendien volstrekt overbodig.


leuk blog? Deze was nog giftige - en beter: De IJzeren Wet van het Liberalisme

In Oktober in de handel: Het Alternatief 2: De Ladder naar Autonomie
Met daarin mijn bijdrage: Alle Macht aan de Raden? Management, Medezeggenschap, Maatschap. 

donderdag 9 oktober 2014

Boeddhistisch Kantklossen en het BIG

Over decentralisatie van het lerarenregister 

Afgelopen woensdag vond in Den Bosch het tweede landeljke leraarscongres plaats. Mooie plek, een overkill aan workshops, goede verzorging (dank aan alle leerlingen :)) en een fijne sfeer. ’t Is dat het weer niet zo mee zat, maar verder een goeie dag –  met dank natuurlijk ook aan de Onderwijscooperatie.

Sluitstuk van de dag, althans voor mij, was de discussie over het lerarenregister, ergens in de veraf gelegen zaal ‘G’. Over dat debat was vooraf veel gekwetterd, en ook de opzet was ambitieus: een hoogleraar, een erkende bestuurderspecialist, docenten van het jaar, de staatssecretaris, nogal wat uitdrukkelijk genodigden, veel inhoudelijke voorbereiding van de onvermoeibare Simon: het beloofde een spannend debat, een scherp debat te worden…

Helaas. Misschien was het het tijdstip, misschien was het ook de ambtelijkheid c.q. het gebrek aan ‘seks’ van het onderwerp. Maar echt veel vuurwerk was er niet op die late middag. Jammer, maar helaas, zou je zeggen. Maar zoals de stand van zaken nu is, gaat dat verplichte lerarenregister er echt komen, vanaf 2017 al, en dreigt het een bureaucratische, explosieve, onbeheersbare, ondemocratische draak te worden. Niet minder dan dat.

De bijeenkomst werd geopend door een medisch specialist die in alle toonaarden de lof zong van zichzelf, het liberalisme en het BIG – het Beroepenregister Individuele Gezondheidszorg. Dat deed hij technisch goed d.w.z. retorisch sterk. Iedereen met een ziek kind wil naar een ziekenhuis waar de artsen op de laatste stand van medische zaken zijn. Iedereen die zijn kind naar een school stuurt wil  zijn of haar kroost toevertrouwen aan bevoegde, gekwalificeerde, goede leraren. In de artsenij heeft het BIG ervoor gezorgd dat artsen nu met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid naar de laatste medische inzichten geschoold zijn. Een lerarenregister zal dus voor zorgen dat ook docenten allemaal gekwalificeerd en bijgeschoold zijn, en geen onnodige brokken meer maken.

Die redenering staat als een huis, maar is mogelijk ongeldig. Zij klopt alleen als vaststaat dat het leraarsberoep een zelfde soort ‘vakmanschap’ (Sander Dekker) is als het artsenberoep. En helaas: dat is niet in alle opzichten zo. Ik kan in filosofische termen proberen uit te leggen dat het leraarsberoep zich op een ander 'zijnsniveau' bevindt dan het artsenvak, dat de een meer deel heeft aan een technische, de ander meer aan een praktische rationaliteit, maar dat doe ik niet. Een belangrijk verschil tussen de beide beroepsgroepen werd namelijk door de hooggeleerde heer zelf al gegeven.

In de medische hoek is er in de regel sprake van ‘evidence based’ onderzoek: medische toepassingen zijn (idealiter) langdurig, herhaaldelijk, onafhankelijk, d.w.z. ‘dubbel blind’ getest op dieren en mensen. Als blijkt dat een zekere behandeling beter werkt dan een andere / dan geen / dan een nep-behandeling, dat wil zeggen, als de kans dat het positieve effect in minder dan 5 op de 100 experimenten door toeval kan zijn ontstaan, dan doen we dat. En dan scholen we mensen erin om dat vervolgens ook te doen.

Wat onderwijskundigen, ‘neuropedagogen’ en marktpartijen u ook wijs willen maken (ik noem ditmaal geen afkortingen), ‘evidence based’ onderwijs bestaat niet. In en rond het onderwijs wordt wel grootschalig onderzoek gedaan, bijvoorbeeld op psychometrisch gebied, maar voor de beroepspraktijk, het ambacht is ‘evidence based’ onderzoek niet voorhanden. De onderzoeksgroepen zijn in de regel te klein, ‘dubbel blind’ valt er niet te experimenteren, replicatie (herhaling) is vrijwel niet mogelijk doordat de condities nooit dezelfde zijn, het aantal oncontroleerbare en/of mogelijk storende variabelen is te groot, enzovoorts, etcetera. ’t Meeste dat docenten kunnen doen is hun praktijken – dat wil zeggen hun handelen op verschillende domeinen tegelijkertijd, met vaak grote groepen mensen  – ‘evidence informed’ proberen vorm te geven. Voor het werk van alledag betekent dat dat zij weten wat er zoal over onderwijs en leren gezegd wordt, en daar in het plannen en uitvoeren van en/of het ‘nakaarten’ over hun lessen rekening mee houden.

Wat dit alles met het lerarenregister te maken heeft? Alles.



Voor medici (hou toch ‘ns op met die vergelijking, hoe vaak moet ik het nog zeggen…) is het min of meer duidelijk wat er als ‘bijscholing’, of als ‘nascholing’ kan gelden.  Behalve de ‘vlieguren’ en het begeleiden van promovendi zijn dat zulke cursussen of activiteiten die zich richten op het beter bestrijden van aantoonbare gevolgen van aantoonbare oorzaken. Boze tongen beweren dat dat precies die cursussen zijn die de farmaceuticische industrie voor hen financieren, maar dat is natuurlijk kwalijke roddel. Vanzelfsprekend bestaan er ook in de gezondheidszorg ‘grijze’ gebieden, maar op zichzelf is het binnen beroepsgroepen (blijkbaar) vrij gemakkelijk duidelijk te maken, wat aantoonbaar bijdraagt aan de update van de beroepsbeoefening en wat niet.

Hoe anders is dat in het onderwijs. Laten we zeggen dat het daarin om het overdragen (of doen ontwikkelen) van kennis, vaardigheden en attitudes gaat. Dat die zich in tenminste drie domeinen bevinden, te weten de kwalificatie, de socialisatie en de individuering of subjectificatie van kinderen en jongvolwassenen. Dat dat alles plaatsvindt binnen enkele honderden vakken en richtingen. Dat er strijd over bestaat welke kentheorieën, didactieken, pedagogieken, psychotherapeutische benaderingen in elk van die vakgebieden goed, juist of werkzaam zouden zijn. En dat we elk voor zich wel weten wat we doen, soms ook waarom, omdat we denken te weten dat dat werkt. Soms. Maar dat we ons realiseren dat dat in elke situatie voor elke docerende persoon en voor elk kind anders kan zijn.

Ik doceer filosofie. In het kader van mijn beroepsuitoefening volg ik al een tijdje de kursus boeddhistisch kantklossen.  U kunt daarom lachen, maar dat deert me niet. Ik ben al een heel end op streek. Voor mij en voor mijn leerlingen is dat een belangrijke skill die raakt aan hun en mijn interpersoonlijke en intrapersoonlijke intelligentie en bovendien bijdraagt aan empathische vermogens. Wil u daar een rechtvaardiging voor? Ik trek zo een la ‘evidence informed’ studies open waarin al deze begrippen gevalideerd worden...

Vanaf 2017 moet ik mijn bekwaamheid officieel laten registreren. Dat register is er voor leraren en door leraren, maar ik ken de mensen niet die over mijn kursussen, over de kwaliteit daarvan, over mijn kursusleidster zullen oordelen. De voorzitter van de Onderwijscoorperatie zei gisteren dat het hem niet zo uitmaakt of zijn club wel of niet bekendheid geniet, dat hij zichzelf voldoende geruggesteund, gelegitimeerd weet. Dat kan zo zijn. Maar voor mij is het wel degelijk een issue dat mijn cursus en dus ook mij door een schrijftafeldader zonder naam of gezicht , ergens op een kantoortje in Utrecht de maat word genomen. En dan behoor ik nog tot de minderheid van de docenten die aangesloten is bij een van de bonden (en zich evengoed niet echt vertegenwoordigd voelt..)

Een enorme bureaucratisering dreigt: wie gaat alle aanvragen voor al die cursussen, trajecten, blogs, twitter-sessies verwerken? Wie gaat al dat nascholingsgedoe accrediteren? Op basis van welke criteria? Wat betekent dat voor zzp-ers in de nascholngsbrache, hoe gaan de pedagoochelaars daar op inspelen? Enthousiastelingen van de OC blijven volhouden dat de Onderwijs-BIG een register zal zijn voor en door leraren – weliswaar van overheidswege ‘bevorderd’,  maar vanuit de basis vormgegeven. Maar wie is die basis? En hoe komt zij erbij dat mijn kloskursus geen wal raakt?     
Desnoods vecht ik het tot in Straatsburg uit!!

Mooie woorden waren er gisteren ook, over de instrinsieke drang van docenten om te professionaliseren, over beroepstrots, vakmanschap. Ik vind en heb dat ook allemaal. Maar ik heb het druk. Nog net niet zo druk als de Onderwijscooperatie zodaa’lijk, met al het gedoe, maar wel druk… Het gevaar dreigt inderdaad, zoals @valktekst gisteren ook aangaf, dat zo'n nieuwe bureaucratie bedwongen gaat worden met nieuwe papieren realiteiten; afvinklijstjes, al dan niet per internet te voldoen. Maar dat kan ook niet de bedoeling van het register, van het nascholen zijn.

Op het moment wordt er veel gekwetterd over het Schotse Model, maar ik heb daar helaas nog gen poolshoogte van kunnen nemen. Ik begrijp wel tussen de regels door dat het decentraal georganiseerd is. Dat lijkt aan te sluiten bij wat Ben van der Hilst gisteren zei, nl. dat de gewenste professionalisering beter aan scholen dan aan centrale registers gekoppeld kan worden. Ik had niet zo’n mening over de rest van z’n verhaal, maar vond dit toch wel een goede gedachte.

Als scholen zich omvormen tot professionele organisaties die zich bekommeren om het leren van iedereen – leerlingen dus, maar ook het management c.q. de teacher (as) leaders – dan is centrale registratie overbodig. Dan lijkt het oude plan (c.q. de gemankeerde praktijk) van de wet BIO en haar portfolio’s ineens helemaal zo gek nog niet. Dan werkt 'decentrale' registratie óók professionalisering in de hand, kan de professionele identiteit ook worden verterkt, en kan het bovendien gekoppeld aan school- en managementsontwikkeling ...

Je kunt tegenwerpen dat zo’n decentrale aanpak instrumentalisering in de hand werkt, nascholing dus op last van de baas, in deze of gene richting. Maar zulk 'top-downerig' gedoe kan natuurlijk evengoed plaatsvinden in een centraal systeem, en kan ook in een decentrale variant bestreden of beperkt blijven. Goede werkgevers geven mensen de ruimte zich binnen de budgetten naar eigen inzicht te ontwikkelen. Betrokken werknemers zullen zich natuurlijk om zichzelf, maar zeker ook om hun werk professionaliseren. Als ik aannemelijk kan maken dat mijn kantkloskursus mij en mijn leerlingen, en daarmee ook mijn school te goede komt, dan kan mijn direct leidinggevende / kunnen mededocenten dat gewogen en met kennis van de context veel beter beoordelen dan wie dan ook.  En dus afwijzen. Of misschien honoreren. Maar dan weet ik in ieder geval van het wie en het waarom. En kan ik er vrede mee hebben (of niet).

Zo’n BIG kan er al met al komen, en dat zal hij, als ik Sander hoorde, naar alle waarschijnlijkheid ook. Maar voor de beroepsgroep is een centrale, standaardiserende variant niet per se de meest geschikte. Als we dat lerarenregister echt ‘van onzelf’ willen houden, kunnen we ‘m maar 't best dichtbij, op de eigen school inrichten, de school (dat zijn wij :)) zichzelf daarop laten controleren, en dat evt. met actieve ondersteuning van de inspectie.


Alderik,

Oktober 2014