Posts tonen met het label bullshit jobs. Alle posts tonen
Posts tonen met het label bullshit jobs. Alle posts tonen

vrijdag 10 juli 2015

Ontpolderen

Afgelopen vrijdag brak de VO-raad, de koepel van onderwijsbestuurders in het voortgezet onderwijs, de onderhandeligen over een nieuwe cao af. Dat is wel ‘ns vaker gebeurd. Nieuw is dat de onderwijswerkgevers de nu lopende cao nietig hebben verklaard. Voor een flinke sector zijn er zo vanaf 1 augustus 2015 geen bindende regels meer. De vakbonden signaleerden eerder al dat werkgevers zich dit jaar in het algemeen stevig, zo niet agressief opstelden. Een ‘hete zomer’ wordt er daarom in ‘de polder’ voorspeld. Dat valt nog te bezien. Maar de vraag dient zich aan: bestaat er eigenlijk wel een onderwijspolder? En zo nee, hoe gaan we er voor zorgen dat iedereen in die sector (weer) echt mag meepraten?


de hedwigepolder - wordt ontpolderd

pseudopolder
In ons ‘poldermodel’ staan werkgevers en werknemers elkaar niet naar het leven, maar werken zij samen. ‘Al eeuwen’,  dat wil zeggen, sinds de Tweede Wereldoorlog zoeken we zo een balans tussen verantwoord macro-economisch beleid en aanvaardbare arbeidsvoorwaarden. Dat wil zeggen: in de marktsector.  
In het publieke - en semi-publieke domein wordt sinds de jaren ’90 van de vorige eeuw geprobeerd soorten van marktwerking te simuleren. Om daar handen en voeten aan te geven zijn onder andere in de zorg en in het onderwijs pseudo-polders drooggelegd. ‘Werkgevers’ in het onderwijs –verenigd in de zogenaamde sectorraden-  onderhandelen met werknemers –‘verenigd’ in een vergaarbak van bonden – over arbeidsvoorwaarden. Dat gaat soms goed en soms ook niet – zo blijkt – maar dat is niet het werkelijke probleem. Het werkelijke probleem is dat die sectorraden vrijwel niets of niemand vertegenwoordigen, ja, de facto een verlengstuk van de overheid zelf zijn.

mantelzorg
Sinds de komst van Paul Rosenmöller probeert de VO-Raad zichzelf te framen als spreekbuis van ‘het onderwijs’. Dat doet ze heel effectief, maar het is natuurlijk apekool. VNO-NCW als dé vertegenwoordiger van ‘de economie’? MKB als dé stem van ‘de marktsector’? Ga hengelen.
Voor de ene helft is de VO-raad een vereniging van bestuurders – mannen in pakken op torenhoge niveau’s in gevaarlijk grote organisaties, vaak zonder ‘krijt aan de jas’. Voor de andere helft wordt zij rechtstreeks gefinancieerd door OC&W om beleid te ontwikkelen waar de overheid zelf de creativiteit, de capaciteit of de bevoegdheid (!) niet toe heeft. Tenslotte – maar dat geldt voor alle sectoren – is de nabijheid van de verenigde bestuurders tot de politieke en de ambtelijke top, de personele overlap met allerhande diensten en instituten in het 'onderwijsveld’ zo groot, dat met recht van een onderwijsoligarchie gesproken kan worden. De VO-raad een polderpartij? Een mantelorganisatie!

vriendschap
Leraren zijn niet in dienst van de overheid maar van besturen. Die krijgen jaarlijks zakken geld om hun scholen toe te rusten, onder andere ook met personeel. Als dat personeel klaagt wijzen de bestuurders naar de overheid: ‘hunnie’ geven ons te weinig. De overheid kaatst die bal terug: ‘zullie’ krijgen zat maar verdelen het verkeerd. Allebei hebben ze gelijk maar beiden spreken slechts de halve waarheid: het ontbreekt hen, overheid én besturen, te enenmale aan grip op de geldstromen. Jaarlijks lekken tienallen miljoenen euro’s in het onderwijs weg. Ook de staatsecreatris weet niet waarheen, maar hij heeft en houdt vertrouwen in ‘het veld’.  Dat ‘veld',  de kleine kern van bestuurders dus, mag al met al lekker doormodderen met gebrekkig toezicht, falende transparatie, het verder ‘uitregelen’ van interne tegenspraak. Als dank onthouden ze zich er graag van,  effectieve politieke druk uit te oefenen – vrinden onder mekaar weet je…

flexleraar
Terwijl Paul Rosenmöller voor de bühne leuke pedagogische plannetjes presenteert, proberen onderhandelaars van zijn VO-raad in de achterkamertjes de effecten van zulk falend bestuur op de leraren af te wentelen. Het loonbod was eerst 0,2% - inflatiecorrectie, niet meer dan dat. Na zeven jaar nul-lijn en afgewaardeerde pensoenen lijkt dat mager, to say the least. In de tweede ronde werd over ietsje meer gepraat – een nieuwe sigaar uit eigen doos -  en wel in ruil voor verslechterde arbeidsvoorwaarden en een onslaught op de pensioenkassen. Ominieus is daarin vooral de aanslag op medezeggenschap: in ruil voor iets meer geld verliezen leraren zeggenschap  (‘hindermacht’ ) over hun werkomstandigheden. 
In beleidsstukken heeft de politiek aldoor het beste met het onderwijs, met leraren voor. Op het oog is er de laatste jaren dan ook veel geïnvesteerd - dat wil zeggen: met gesloten beurzen binnen de begroting geschoven. Daar staat natuurlijk wel iets tegenover. Van leraren wordt veel, ja, steeds meer verwacht. Ze moeten ‘professionals’ zijn of worden en meer verantwoordelijkheid nemen. Het woord ‘eigenaarschap’ is het snoepje van de week.  Maar wat de overheid met één hand geeft, halen haar pittbulls - de schoolbesturen – met de andere hand weer weg. Dus werken leraren komend jaar wéér harder voor precies hetzelfde geld: grotere klassen, meer taken, mogelijk dus ook minder inspraak. En: de flexleraar staat eraan te komen.

uitpolderen
Zoals marktwerking in het funderende onderwijs niet werkt en kan werken zo blijkt ook ‘polderen’ een groot probleem. De grootste partij, de meest belangrijke, namelijk de leraren, zijn en worden vrij structureel ‘uitgepolderd’; en wel door werkgevers die helemaal geen werk geven, maar dat alleen maar organiseren. Namens ouders, namens de samenleving. Losgezongen van die oorspronkelijke opdracht als hoeders van het maatschappelijke middenveld spelen schoolbesturen ‘bedrijfje’ op kosten van de overheid, op kosten van ons allen dus. In de armoedige taal van zulk management zijn docenten in de eerste plaats een kostenpost – de grootste zelfs op het budget. Niet op al die bullshit jobs die bestuurders zelf vervullen, natuurlijk niet, maar op het echte werk, voor de klas, daar kan altijd op bezuinigd worden. Geen centje pijn. 
De bonden kunnen dit alles niet tegengaan. De top van de AoB, de grootste van de drie, zit zo lang al op een kluitje met de oligarchen dat die club haar rol nauwelijks nog serieus vervult. Voor het overige zijn de vakbonden versnipperd, machteloos, bloedeloos, en sowieso niet meer echt representatief; van serieuze tegenmacht kan in de pseudo-polder dus ook al geen sprake zijn.

raden
Op de sociale media gonst het – nou ja, een beetje: we zouden moeten staken. Ja, misschien zouden we dat inderdaad moeten doen. Leraren worden niet geacht te staken, en doen het dus ook weinig. ’t Is immers een roeping, geen beroep ?!  Ik zal meedoen, zeker. Maar ik zal niet staken vanwege het geld. De inzet van mijn protest zal ontpoldering zijn. Weg met die flauwekul!
Laat de overheid direct in gesprek gaan met een nieuw op te richten lerarenraad. Laat haar leraren en docenten direct of via de gemeente een fatsoenlijk loon uitbetalen - dwz: iets dat overeenkomt met de reële werklast en het opleidingspeil. Laat bestuurders besturen, zorg ervoor dat ze dat goed doen, dus controleer dat behoorlijk - ook / juist door externe partijen. Maak dat de VO-raad wordt wat het is of zou moeten zijn: een gezellige sociëteit voor gearriveerde directeuren en uitgediende politici. Maar laat een ordinaire elitaire lobbyclub niet buiten de openbaarheid (mede) het onderwijsbeleid bepalen en/of ‘de markt’ van onderwijs bestieren: ze zijn daartoe politiek en moreel onbevoegd, onbekwaam, en buitendien volstrekt overbodig.


leuk blog? Deze was nog giftige - en beter: De IJzeren Wet van het Liberalisme

In Oktober in de handel: Het Alternatief 2: De Ladder naar Autonomie
Met daarin mijn bijdrage: Alle Macht aan de Raden? Management, Medezeggenschap, Maatschap. 

zondag 5 april 2015

De IJzeren wet van het Liberalisme

over macht, bullshit en de kosten van plannen

Vorige week lanceerde Paul Rosenmöller, voorzitter van de vo-raad een plannetje. Daar is al heel veel over geschreven, dus daar wil ik het hier verder niet over hebben. Interessanter vind ik het om na te gaan wat het kost, zo’n plannetje. Paul lanceert een plannetje. De wettelijke kaders daarvoor zijn allang geregeld. De ‘cultuur’ is er echter nog niet in het vo en het hoger onderwijs ligt dwars waar het gaat om de toelating. Niettemin of juist daarom komt Paul met een plannetje.

Ik stel me voor: 
In de stad waar ik werk stroopt een imaginaire wethouder – immer energiek-  de mouwen op. “Dat gaan we inregelen!”. Hij roept de voorzitters van de colleges van bestuur van de drie grote ‘partijen’, dat wil zeggen, van de schoolbesturen bij zich. Die laten zich in allerijl bijpraten door elk twee beleidsadviseurs die de kaders en de mogelijkheden binnen de eigen organisatie in kaart hebben gebracht. Na lang, gemaakt-stroef overleg besluiten de drie besturen de beleidswens van de wethouder te gaan vertalen 'naar het veld toe’.  Dus schrijven niet zes maar negen beleidsadvisers nota’s waarmee de rectoren van de verschillende scholengroepen ‘gemasseerd’ kunnen worden, zodat die, na vermeend-stroperig overleg, op hun beurt de locatiedirecteuren voor zich kunnen winnen. Ieder voor zich gaat het anders doen, want ja, autonomie en zo, dus produceren verschillende papierschuivers op school- en locatie-niveau nog wat papieren tijgers waarmee teamleiders – na lang overleg onderling  – met de docenten van hun teams aan de slag kunnen. Die bieden uit principe of reflex de nodige weerstand, zodat het een vergadering of drie duurt voordat teruggekoppeld kan worden aan de locatiedirecteur dat .., die weer terugkoppelt aan … dat … zodat … opnieuw … pilot … effectmeting … Enfin. 
Met een beetje goede wil zou het plannetje van Paul dus in de schoolplannen van 2016-2017 kunnen worden ‘meegenomen’, mits er tussendoor natuurlijk geen kinken in kabels ontstaan – ministers vallen, wethouders opstappen, het gepersonaliseerde leren over haar ‘hype’ heen, het HO voet bij stuk - zodat er in 2017 – 2018 pilots kunnen worden gedraaid. Op z’n vroegst.

Terug naar de kern. Alleen al in ‘mijn’ stad zitten er tussen het plan van Paul en de (eventuele) effectuering ervan op het niveau van de leraar en de klas grofweg zestig (60!) bovenmodale papierschuivers die er een hoogopgeleid plasje over mogen doen. Hoe vaak wordt deze hele cyclus in het hele land door besturen, managers, teamleiders en leraren doorlopen???
Veel van het ‘werk’ dat zo in dit ‘voorveld’ wordt gedaan is volstrekt overbodig. Op elk niveau wordt namelijk hetzelfde toneelstukje opgevoerd; deeelnemers aan overleggen moeten het idee krijgen dat ze serieus genomen worden, want ja, autonomie en zo. Uiteindelijk weet iedereen – op elk niveau in de schoolorganisatie – aldoor precies hoe de hazen lopen en wordt er altijd concordantie bereikt op iets dat dicht bij het oorspronkelijke voorstel ligt en waar ieder nog een eigen draai aan meent te kunnen geven. Hoera! Nu de implementatie nog…




Het gaat me er niet om dat dit bureaucratisch gedoe is – bureaucratie is immers niet per se slecht. Waar het om gaat is dat deze soort van bureaucratie zichzelf noodzakelijk vergroot en versterkt, maar niet meer direct verwijst naar het doel dat wordt gediend, namelijk goed onderwijs. Scholen zijn grondwettelijk autonoom, inderdaad. Waarom zouden zoveel dure mensen zo druk bezig zijn ingewikkelde politieke spelletjes te spelen waarin die autonomie tegelijk bevestigd én ontkend wordt, versterkt en ondergraven?

De “IJzeren wet van het Liberalisme”, schrijft economisch antropoloog David Graeber in toespeling op Robert Michels: “states that any market reform, any government initiative intended to reduce red tape and promote market forces will have the ultimate effect of increasing the total numer of regulations, the total amount of paperwork, and the total number of bureaucrats the goverment employs (Graeber 2015). In en door die bureaucratie werken, zo schreef dezelfde Graeber elders al, meer en meer mensen die op geen enkele manier nog waarde toevoegen aan de economie of het primaire proces van dienstverlening (onderwijs, zorg, een schone stad), maar die alleen nog waarde verplaatsen (Graeber 2013). Paradoxaal genoeg, zo schrijven ook Rutger Bregman en Jesse Frederik in hun deze week verschenen Essay voor de Maand van de Filosofie, krijgen in onze hoogontwikkelde economie mensen die wél iets waardevols doen (leraren, verpleegkundigen, schoonmakers) in de regel veel minder betaald dan degenen die niets aan waarde toevoegen (beleidsmedewerkers, CEO’s, consultants, lobbyisten, 'leiders', managers, enz.), maar die (daarom?) wel 'macht' hebben over wat er op de werkvloer gebeurt (Bregman & Frederiks 2015). 
Sommigen menen dat dit niet lang meer kan duren, en dat elke volgende economische crisis al dit soort bullshit jobs op zal ruimen (Mulder 2014). Anderen voorzien juist dat de leidende gremia zichzelf nog een flinke tijd in stand zullen kunnen houden, en dit meer en meer ook ten koste van de werkers op de werkvloer (Graeber 2015).

Wat het zal worden weet ik vanzelfsprekend niet. Wat me du moment het meeste dwars zit is niet, of niet in de eerste plaats het feit dat ik als docent al vijf jaar op een nul-ljn zit; dat alle extra gelden die steeds aan het onderwijs beloofd en gegeven zijn (dat wil zeggen: begrotingstechnisch verplaatst zijn) niet in de klas terecht zijn gekomen (de klassen zijn juist vergróót); dat mijn schoolbestuur miljoenen heeft zoekgemaakt en ik nu harder werken mag voor hetzelfde loon; dat er sowieso erg veel geld weg lijkt te lekken in het onderwijs, waarheen dan ook.

Wat me écht dwars zit is dat de structuur van het onderwijsbestel oligarchisch en ondoorzichtig is geworden, en zich op alle niveaus onttrekt aan vormen van inspraak en democratische controle. Onderwijs is een dienst van de samenleving aan de samenleving. Niet alleen leraren, maar ook ouders, kinderen, andere betrokken burgers zouden mee moeten kunnen denken en praten over de toekomst ervan. Daar worden, heus, allerlei aardige initiatieven rond genomen, maar als het erop aankomst is de oligarchische macht van de besturen en de bestuurders in het veld enorm. 

Dat roept Paul namens die bazen en baasjes zelf óók, en dat is ook zonder meer een van zijn betere plannetjes: het organiseren van daadwerkelijke tegenmacht op alle niveaus van onderwijsorganisaties om tunnelvisie en machtsmisbruik te voorkomen (vgl. Commissie Goed Onderwijsbestuur 2014;  Halsema 2013). Op de ondoorzichtige manier echter zoals besturen én de sector-raden zelf nu opereren, buiten de openbaarheid om en met een enorme informatiemacht die (bewust) niet wordt afgebouwd/gedeeld, kan die tegenmacht moeilijk meer zijn dan ‘repressieve tolerantie'.

Zelf denk ik daarom dat ‘tegenmacht’ alleen niet voldoende zal zijn, en dat er meer radicaal veranderd moet worden in de richting van daadwerkelijke autonomie van scholen. Een concreet, werkbaar plan heb ik al wel, maar daarover kan ik nu nog niets loslaten. Meer daarover in Het Alternatief deel II dat in september onder redactie van René Kneyber zal verschijnen. 

Tot dan de open discussievraag:
waar zit ‘macht’ in het onderwijs en waar zou hij volgens jou kunnen of moeten liggen?


Bregman, R., & Frederik, J. (2015). Waarom vuilnismannen meer verdienen dan bankiers. Amsterdam: De Correspondent/Stichting Maand van de Filosofie

Graeber, D. (2013). On the Phenomenon of Bullshit Jobs. 
Graeber, D. (2015) The Utopia of Rules. On Technology, Stupidity, and the secret Joys of Bureaucracy. Brooklyn/London: Melville House

alsema, F. , M. Februari, F. Van Kalleveen & D. Terpstra (red.) (2013). Eenlastig gesprek. Advies Commissie Behoorlijk Bestuur. (z.p.)
Mulder, K. (2014). Pakkenproletariaat. Leusen: ISVW

zaterdag 13 september 2014

De Kitsch van het Kantelen

Over individualisering, communisme en performativiteit


Het bruist in het onderwijs. Het jaar is net begonnen en iedereen, zelfs de leerlingen lijken er zin in te hebben. En er is beweging: overal, in de echte werkelijkheid en virtueel wordt er gekanteld en veranderd dat het een lieve lust is. Laatst nog in Utrecht, bij een bijeenkomst van @claireboonstra over het doel van onderwijs, binnenkort, op 1 oktober weer bij én united4education én DeBalie. Overal wordt Leerkracht ontwikkeld, tonen Leraren Lef, wordt er samen geleerd en worden onderwijshelden op voetstukken geplaats – en dan vergeet ik vast nog een heleboel andere initiatieven, projecten, samenwerkingsverbanden…

Ik hou van deze dynamiek. Oprecht. Stilstand is achteruitgang! Maar soms is het goed om toch even stil te staan: waarom bewegen we eigenlijk, en vooral: welke richting bewegen we op? In de oproep voor de bijeenkomst in Utrecht van 29 augustus ging het om een ‘gevoel van onvrede’ met de huidige stand van het onderwijs, en van een gevoelde ‘noodzaak voor verandering’. Wat er dan precies mis zou zijn werd niet expliciet benoemd. En ook over een richting van verandering werd niet gesproken, omdat dat te dwingend zou zijn. Laat duizend bloemen bloeien!

Gezien de grote diversiteit van de aanwezigen betwijfel ik of iedereen daar, of überhaupt in ‘het veld’ een zelfde analyse heeft over wat er nu precies mankeert aan het onderwijs. En met het oog op alle ontwikkelingen en initiatieven die ik voorbij zie komen – op het gebied van pedagogiek en techniek, didactiek en het curriculum, management en diagnostiek, en de politiek, niet te vergeten – zie ik niet zo snel waarheen precies er dan gekanteld wordt. Misschien hoeft dat ook niet. Maar voor mezelf voel ik wel de behoefte om conceptueel wat meer helderheid te krijgen in de wirwar van onderwijsgewoel. Daarbij denk ik twee lijnen te zien, maar dat kan er ook goed maar ééntje zijn. Ik zal ze hieronder omzichtig proberen te trekken.

Kitsch
Een eerste concept dat in me opkomt als het het veld overzie is individualisering. De kern van veel kritiek, van ouders, leraren, de politiek, de inspectie, is dat ‘de school’ te weinig tegemoet komt aan de noden van individuele kinderen. Als systeem zou zij te log, te ouderwets, te massaal, te eenzijdig cognitief (etc.) zijn om echt plek te kunnen bieden aan authenticiteit, talent, excellentie om onderwijs passend, gepersonaliseerd, flexibel, op maat te maken. Ook als de focus, de toon, de openheid van de beschuldiging varieert, de school wordt steeds verweten te zijn wat zij is, namelijk een instituut, een systeem.

Die kritiek, zoals die heel pregnant wordt verwoord door Berthold Gunster in het voorwoord bij de bundel Onderwijshelden (2014) is in zekere zin banaal – je reinste pedagogenkitsch. Zoals ik elders al schreef (link) is zij al zo oud als de school in haar huidige vorm bestaat, mogelijk nog ouder, en zijn teksten als die van Gunster honderden, duizenden keren geschreven in alle denkbare toonaarden en talen. Interessant is wel dat Gunster in zijn inleiding uitgebreid naar Tolstoi verwijst. In zijn jonge jaren richtte die voor de kinderen van zijn voormalige lijfeigenen een schooltje in. Geïnspireerd door Rousseau en overtuigd van de ‘oerkracht’ van de ‘natuurlijke’ mens – de boer - liet hij het initiatief tot leren daarbij bij de kinderen. Naar verluidt leerden die op Jasnaja Poljana wat zij wilden, wanneer ze dat wilden, zodat ze geheel ‘zichzelf’ konden worden of blijven – bij voorkeur boer…


Lev Tolstoi onderwijst (maar niet aan boerenkinderen)

Convergentie
Op het eerste oog is het grappig, curieus, dat een bundel die de lof wil zingen van het onderwijs van de toekomst opent met een citaat van een ‘profeet van de antimoderniteit’ (Hanke 1992). Maar bij nader inzien blijkt het romantische individualisme, het quasi-anarchisme dat Tolstoi óók vertegenwoordigt, heel gemakkelijk te koppelen aan een baaierd aan opvattingen over wat onderwijs is en moet worden. Alleen zo valt te verklaren dat mensen van Iederwijs in hetzelfde kamp terecht lijken te zijn gekomen als nota bene de Inspectie, geëngageerde ouders en leraren zich ondersteund weten door gewiekste multinationals en ‘Den Haag’ inmiddels Het Alternatief heeft doodgeknuffeld – waarover zo meer. We stellen vast dat differentiëren, flexibiliseren, personaliseren, ‘flippen’, kantelen, op maat maken, ontwikkelingsgericht werken en van het kind uitgaan variaties zijn op eenzelfde thema, namelijk dat er meer ruimte moet komen voor de mogelijkheden, de wensen en de kansen van onze koters.

Dat kan zo zijn. In een geïndividualiseerde samenleving als de onze klinkt dat aannemelijk, als een open deur zelfs. Maar het feit dat zo veel ‘beweging’ in en rond het onderwijs lijkt te convergeren naar grofweg eenzelfde doel, wil niet zeggen dat dat doel dan ook voldoende helder, op zichzelf juist, of ook haalbaar zou zijn.

Allereerst gaat er achter die algemene individualiseringstrend een heel scala aan betekenissen, bedoelingen, belangen schuil, totaal verschillende mensbeelden zelfs. Zoals iemand rond Iederwijs in Utrecht terecht opmerkte: het maakt nogal uit of je ‘het beste in een kind naar boven halen’ invult als de evenwichtige ontplooiing van mogelijkheden of als het behalen van de hoogst mogelijke cijfers middels zoveel mogelijk gestandaardiseerde toetsen. Beelden en idealen rond individuatie en kwalificatie – formeel gescheiden doelen of domeinen- lopen daarbij geregeld door elkaar heen, niet alleen in beleid, maar ook bij onderwijsgevenden, bij ouders. Met name in het nu hegemoniale talent– c.q. het excellentie-discours glijden noties van vorming en kwalificatie, van persoonlijk nut en maatschappelijke baten, van vrijheid, kortom, en van tucht naadloos, soms ook onopgemerkt in elkaar over. Dat levert ook opmerkelijke coalities op. Achter NewPedagogies for Deeper Learning, een van de nieuwe initiatieven waar Jelmer Evers nu voor werft, zitten zo behalve onderwijsactivisten en hoogleraren ook computergiganten en de baas van het OECD (PISA!) zelf. Misschien is dat allemaal geen probleem, heel vruchtbaar zelfs. Toch denk ik dat de verzamelde elite van onderwijs-verbeteraars er goed aan doet, meer heldere begrippen te ontwikkelen over de precieze aard en het doel van al het kantelen.

Kladderadatsch
Dat is raadzaam, ten tweede, omdat individualisering – van de samenleving, van het onderwijs – niet een van God gegeven grootheid is, maar een keuze. In zijn recente analyse van zestig jaar onderwijsdebat maakt Bram Mellink aannemelijk dat het niet (alleen) zo is dat het onderwijs onder invloed van maatschappelijke ontwikkelingen zich meer op het individu is gaan richten. Vertegenwoordigers van onderwijsbonden – leraren- hebben omgekeerd (ook) welbewust op die individualisering aangestuurd (Mellink 2014). Daardoor zijn in een situatie beland dat je heden ten dagen individu,ja,  individualist móet zijn - en amper ruimte over hebben voor mensen met meer collectief gedefinieerde identiteiten. Aan Mellinks dissertatie schort het wat mij betreft wat aan leesbaarheid en aan een (ideeënhistorische) analyse van de langere termijn, maar dat is voor de freaks. De vraag die zich hier opdringt is: hoeveel individualisering is genoeg? Waar eindigt het? Bij het zgn. hoofdelijke onderwijs van voor 1804?  Bij eenzame Émiles met gepersonaliseerde digitale leeromgevingen in een virtuele natuur? Dat is wat het grootkapitaal zou willen – become your own device - maar willen wij dat ook als samenleving, als ouder, als kind?


Misschien willen we dat inderdaad. We willen graag ‘onszelf’ kunnen zijn - mondig, zelfstandig, uniek - en we kúnnen ogenschijnlijk ons ‘eigen ding’ ook doen, mits we natuurlijk hoogopgeleid zijn en gezond. En vanzelfsprekend wensen we zoveel zelfbepaling ook aan onze kinderen toe. Maar mijn claim op ‘beter onderwijs’ is, laat ik eerlijk zijn, altijd ook een claim op meer ruimte voor mij, als docent, en voor meer ontplooiing voor mijn kinderen. Individualisering is niet op zichzelf goed of slecht. Maar het legt heel veel zulke claims neer op kleine bordjes, waarvan heel veel moet worden gegeten. En daar wil dan nog wel ‘ns wat van afvallen. Ontmoeting uitwisseling empathie verbinding vertrouwen erkenning kwetsbaarheid moed & ook deemoed. ’t Wachten is op een deugden-app, een waarden-game, een alomvattende MOOC om het 'unieke zelf' te doen ontplooien, maar ik heb zo m’n twijfel.


MakerEd 1900: Jan Lighthart laat zijn leerlingen een steenfabriek nabouwen..

Er zal ook in de toekomst daarom -ten derde- ruimte zijn voor scholen, voor plekken waar mensen samen onder aanleiding zich leren verhouden tot zichzelf, de wereld en de dingen. Dat kan een Iederwijs zijn, een Sudbury Valley-, een Democratische School, whatever. Zulke en andere experimenten zijn nuttig, noodzakelijk: ze houden ons een spiegel voor, tonen wat denkbaar, soms ook uitvoerbaar is. Maar als model zijn ze niet transfereerbaar. Allereerst doordat schoolmodellen dat sowieso niet zijn: wat hier werkt, werkt niet per se ook daar. Daarnaast zijn experimentele scholen in hun ‘zuivere’ vorm vaak gebonden aan specifieke groepen ouders en hun kinderen. Zulke betrokken ouders en zulke geïnteresseerde, kneedbare kinderen vind je niet overal – op Rotterdam Zuid of zo. Daardoor zullen proeftuinen van scholen, en met hen golven van onderwijsvernieuwing in hun slipstream, ik scheef het ook elders, na verloop van tijd ‘normaliseren’, zich aanpassen aan het vermaledijde, het dwangmatige, het drukkende  systeem. Zo is De Werkplaats in Bilthoven in tachtig jaar al tot twee keer toe tot een doodnormale school verworden - lelieblank, dat dan weer wel - en teachet men ook op UniC inmiddels ijverig to the test. ‘Het systeem’ lijkt al met al een grens te stellen aan wat er geëxperimenteerd, geïndividualiseerd kan worden. Wie het écht anders wil kan het verlaten – hetgeen ook op verontrustende schaal gebeurt. Het andere, het échte alternatief is natuurlijk niet kantelen of veranderen, maar opblazen. Leve de revolutie!


samenwerkend leren op de school van de famillistère te Guise, ca. 1920 
(bron: Images of Aspiration - IISG - Uitgeverij Aksant  )

Inkapseling
Ras na verschijning bleek dat Het Alternatief (2013) natuurlijk helemaal zo alternatief niet was. Veeleer gaf het precies op tijd uitdrukking aan een gevoel van onbehagen dat niet alleen bij leraren, zo bleek, maar ook bij veel andere stakeholders in het onderwijsveld leefde. Zelfs de politiek, het bestuur, ze liepen ermee weg: bij de presentatie nog wat nukkig, stond de Minister van Onderwijs een paar weken later al in de Tweede Kamer vrolijk met de bundel te zwaaien. Het is mooi, bewonderenswaardig, dat Jelmer en René zo snel een zo groot gehoor en zoveel politieke weerklank hebben gevonden voor de zorgen, noden, belangen van docenten. Chapeau. ‘like!’. Deze week, bij het lezen van de aanbeveling ‘Samen Leren’ (link), die mede door Jelmer en René is opgesteld, werd mij – en werd ook anderen, zo bleek -  weer eens duidelijk hoe het óók werkt: oppositie maak je onschadelijk door ze in te lijven. Inkapselen. De angel eruit halen. Verantwoordelijkheid. Compromissen. Vuile handen. Weg met de renegaten!

In alle ernst: het jonge voorstel van docenten, schoolleiders en Kamerleden behelst veel behartenswaardigs. Belangrijke thema’s die in Het Alternatief zijn aangesneden worden bestuurlijk tot uitdrukking gebracht. Maar het voelt niet op alle punten even lekker, en er missen ook wat mensen...
Het Alternatief wist het spuuglelijke begrip ‘afrekencultuur’ heel succesvol te framen. Het even onappetijtelijke ‘verbetercultuur’ wordt daar nu diapositief tegenover gezet, maar ik ben niet op voorhand overtuigd. Beide hebben namelijk deel aan een zelfde, overkoepeld performativiteitsvertoog: alles kan altijd beter – elke dag een beetje zelfs. Want nog steeds moet ‘Nederland’, en moeten dus Nederlandse kindertjes liefst meer dan optimaal presteren. De professionele ruimte die docenten voor zich hebben bevochten wordt op die manier direct door anderen ingevuld: gij zult verbeteren. Waarin of in welk opzicht was binnen Stichting Leerkracht tot nog toe open, maar het lijkt erop dat hier nu richting wordt gekozen, nl. voor ‘maatwerk’ en niets minder dan de top… Maar hoe dan ook: als de stok een wortel is geworden -extrinsieke motivatie persoonlijke interesse (link) – kunnen docenten niet meer zeiken. Jullie wilden toch je eigen Inspectie, je eigen geweten zijn?

Ik vraag me af of dit verschuiven van verantwoordelijkheden de gepercipieerde problemen zullen oplossen. Docenten zíjn geen medisch specialisten (hou toch eens op met die vergelijking!) en zullen dat ook in een maatschap niet worden. Hun werk vraagt een ander repertoire, een andere set aan vaardigheden en houdingen dan louter technisch-operationele. Sommigen willen het leraarsvak daarom graag een kunst noemen. Zelf prefereer ik de term ambacht, als een mix van zowel het artistieke als het technische, en met een flinke dosis ethos. Misschien kunnen we inderdaad ‘betere‘ kandidaten door minder slechte lerarenopleidingen jagen, hen evidence based laten experimenteren en het geheel dan laten monitoren door wetenschappers namens de NPO. Het zal niet baten. Ik kan me voorstelen dat de resultaten op schoolniveau aanzienlijk zullen zijn. Op systeemniveau zullen ze echter tegenvallen. Per definitie. Onderwijs (en zorg) zijn op alle niveaus en als complex te complex, te zeer verweven ook met mensen en met waarden, om technisch-rationeel te kunnen optimaliseren (vgl. Nida-Rümelin 2012, Visser 2013).

Wat dat aangaat valt ook op dat Samen Leren enerzijds de scherpste kantjes van de gewraakte ‘afrekencultuur’ in het funderend onderwijs probeert af te slijpen. Anderzijds laat ze het achterliggende discours, dat van neoliberalisme en het new public management, niet alleen (tactisch?) onbesproken, maar zelfs grotendeels intact. We mogen hopen dat betere lerarenopleidingen betere mensen trekken, maar zolang op universiteiten nog alleen de output telt zal de middelmaat regeren. Ook het NPO, dochtertje van de NWO, is op zo’n manier ingericht dat het veel bureaucratie en frustratie, maar weinig goed, spannend onderzoek zal opleveren. Ennuh, we hadden toch net bedacht dat docenten niet zitten te wachten op varianten van merit pay? Waarom staat dat dan nu weer wel in deze aanbeveling?

Pseudo
‘Samen leren’ lijkt al met al wel een belangrijke stap in de emancipatie van de docent in het onderwijsveld, maar is nog niet de Grote Sprong Voorwaarts die door zo velen gehoopt wordt. Die Revolutie komt er ook niet. Nu niet. In de naaste toekomst niet. De goede verstaander heeft gemerkt dat ik in het bovenstaande flink gestrooid heb met communistisch jargon. ’t Kan zijn dat je dat geamuseerd en/of geïrriteerd heeft. Dat was ook m’n bedoeling. Het staat symbool voor de pseudo-radicale taal, de pseudo-revolutionaire hoop in veel recente publicaties over de toekomst van het onderwijs, waarin al het bestaande ‘slecht’ is en alles in de naaste toekomst ‘beter’ zal zijn. Nu is het moment! Gewoon een kwestie van didactiek / curriculum / technologie / tact / verandercultuur (doorhalen wat niet in je straatje past).

Ik hoop te hebben laten zien dat dat kitsch is. De systemen zijn te log, de machinaties te sterk, de belangen te groot, de tegenstellingen te scherp, de alternatieve concepten daarentegen nog te vaag, om kantelen, radicaal veranderen binnen het onderwijs op  grote schaal mogelijk te laten zijn. Persoonlijk vind ik dat geruststellend: er is in tweehonderd jaar veel moois ontwikkeld in en rond de school dat het waard is behouden te blijven. Tegelijk blijft er ruimte om verandering op kleine schaal, op het niveau van scholen, klassen, niet alleen te denken maar ook met élan vorm te geven.

Mij wordt nogal eens verweten dat ik zo kritisch ben dat ik ‘alles’ naar de knoppen schrijf. Die indruk wil ik hier niet wekken. Het succes van Het Alternatief en haar politieke vertaling in Samen Leren tonen aan dat er wel degelijk wat veranderen kan, zelfs op systeemniveau. Alleen nooit ‘radicaal’. Denkend over voorzichtige vervolgstappen, zie ik voor me dat

  •  na de docenten ook de ouders en mogelijk kinderen zich emanciperen als gesprekspartners in de onderwijspolder. Een reële mogelijkheid is hier de oprekking van Artikel 23, op grond waarvan ouders gemakkelijker scholen kunnen stichten c.q. de school van hun kinderen uit bestaande verzuilde verbanden kunnen losweken.
  • net als docenten ook schoolleiders zich gedwongen (!) meer en meer omvattend professionaliseren of, liever nog, dat scholen gaan experimenteren met andere vormen van gedeelde, democratische sturing
  • we een serieus gesprek aangaan met alle stakeholders over de grenzen van individualisering in en door het onderwijs in een democratische samenleving
  • we mede daartoe doorgaan met het zoeken naar een nieuwe taal, een gepast vocabulaire om onderwijs en vorming los te spreken van concurrentie en prestatie, persoonlijk nut en maatschappelijke baten, hen weer meer te denken in termen van ontwikkeling, samenhang en democratische participatie. 
  • we een tijdje ophouden met doemdenken over het funderend onderwijs, ons van onze beperkte, middenklasse-blik bewust worden, en eindelijk eens aandacht gaan besteden aan het beroepsonderwijs.
  • serieus gaan nadenken over de aanstaande implosie van diezelfde middenklasse, en over de samenleving die ons daarna wacht.


Alderik
Utrecht / Rotterdam
September 2014



Referenties

Hanke, E. (1992). Prophet des Unmodernen. Leo N. Tolstoi als Kulturkritiker in der deutschen Diskussion der Jahrhundertwende. Tübingen: Max Niemeyer
Kneyber, R., J. Evers (red.) (2013) Het Alternatief. Weg met de Afrekencultuur in het Onderwijs. Amsterdam: Boom.
Mellink, B. (2014). Worden zoals wij. Onderwijs en de opkomst van de geïndividualiseerde samenleving sinds 1945. Amsterdam: Wereldbibliotheek
Nida-Rümelin, J. (2012) Die Optimierungsfalle. heorie einer humanen Ökonomie. München: Irisiana
Visser, A. (2013) Marktfilosofie en Onderwijsutopie. Leraren tussen 'leefwereld' en 'systeem'. in: Kneyber & Evers 2013.