Posts tonen met het label #onderwijs2032. Alle posts tonen
Posts tonen met het label #onderwijs2032. Alle posts tonen

maandag 18 juni 2018

De profane Maria

Over de koloniën, pauperisme en identiteitsfraude in de 19e eeuw.


In haar bestseller Het Pauperparadijs maakt Suzanna Janssen er nogal een dingetje van dat haar voorouders ooit in de Koloniën van Weldadigheid leefden. Anderen hebben daar – terecht – bij aangetekend dat dat helemaal zo bijzonder niet is: een op de tien Nederlanders heeft een voorouder die ooit uit de pauperstand verheft moest worden, en dus stichtend veen mocht afgraven in het hoge noorden.

Ook ik heb zulke voorouders, een hele zwik zelfs. Zowel aan de kant van mijn vader als van mijn moeder verdwenen er mannen in de 19e eeuw voor korte of langere tijd naar Veenhuizen, Ommerschans en diergelijke oorden. Nee, voor mij is dat niet zo’n dingetje. De armoe en de ellende van de ‘ijzeren’ 19e eeuw moet onbeschrijflijk zijn geweest. Zozeer, dat ik het moeilijk vind om me er in in te leven. Ik kijk er daarom vaak meer historisch naar: tot het begin van de 19e eeuw leefden vrijwel al m’n voorouders stabiel op het platteland en in steden, als boer, visser of ambachtsman. In de 19e eeuw raken sommige takken ontworteld, slaan op drift en verpauperen, op de manier waarop o.a. Marx dat beschreef: industrialisering vraagt om de creatie van een ‘lompenproletariaat’ – dat behalve straatarm ook fysiek en ‘moreel’ gedegenereerd is. 
De moeder van mijn betovergrootvader woonde in de Koloniën, niet als object van volksverheffing, maar als dochter van een ambtenaar. Na zijn dood verviel ze evengoed tot de klasse die haar vader had moeten redden, en behoorde ze in alle opzichten tot het lompste proletariaat. Ik veroordeel haar niet, maar wil haar of haar armoe ook zeker niet romantiseren. Haar verhaal, zoals ik dat uit haar stamboom kan reconstrueren, belicht een ander aspect van de geschiedenis van die Koloniën, namelijk de weerslag die het kon hebben op de mensen die er werkten. Bovendien is het slot ervan gewoon te wonderlijk om niet te vertellen.

De Kolonien
Dat verhaal begint in 1822, als Hendricus Johannes Antonius Morriën senior (1780 – 1853) een baan accepteert als boekhouder bij de Maatschappij van Weldadigheid. De maatschappelijke onderneming van Johannes van den Bosch is dan net uit z'n pilot-fase, en er hangt nog een waas van romantisch idealisme omheen: paupers die op Frederiksoord in contact met de elementen weer echt mens kunnen worden, boer en van de blauwe knoop… De aanstelling heeft bovendien aanzien, en er zit een behoorlijk traktement aan vast.

Hendricus is het vierde kind en de tweede zoon van een Duitse wijnhandelaar in Amsterdam, en op dat moment al 42 jaar oud. Zijn eerste vrouw Gerharda Weenink is in 1806 in Amsterdam in het kraambed gestorven.  In 1815 is hij opnieuw getrouwd met Maria Otto, dochter van de patriotse stadsdansmeester van Groningen. Dat lijkt een goede partij, maar bij haar huwelijke heeft ze al een kind – dat mogelijk niet van hem is… Met Maria vertrekt hij naar Grave, waar dat voorkind overlijdt en twee van hun zoons geboren worden.  Een derde zoon ziet in 1821 in Groningen het levenslicht. Met z’n vijven vertrekken ze in 1822 naar Frederiksoord, waar Hendricus de oudere aan z’n nieuwe baan begint.


propaganda voor De Maatschappij en haar ' binnenlandse kolonisatie' 

De rest van zijn leven werkt hij als boekhouder voor De Maatschappij en woont hij in haar koloniën: Frederiksoord, Wilhelminaoord, Veenhuizen, en tenslotte weer Frederiksoord, waar hij als pensionado het winkeltje mag bestieren – anno nu is dat het VVV-kantoor. Er wordt al met al goed voor hem gezorgd. Promotie maakt hij echter niet meer, en ook privé gaat het leven niet over rozen. Zijn tweede vrouw Maria sterft namelijk ook al snel, in 1823. Hij hertrouwt in 1827 met een jonge bewoonster van de Kolonie, Maria van Rosmaelen, maar ook die legt betrekkelijk snel, in 1839, het loodje. Zelfs zijn vierde (‘gevallen’) vrouw, Alida Bebing, een protestantse (!) met wie hij in 1840 in het huwelijksbootje stapt, weet hij nog te overleven.

Glijden
Kinderen zijn er na de eerste Maria niet meer van gekomen. De drie zoons Morriën groeien als kinderen van een beambte op in de Koloniën en volgen hun vader in zijn voetsporen: allen worden ze boekhouder-klerk voor De Maatschappij van Weldadigheid. De jongste twee, Johannes Fransiscus en Antonius de jongere zullen er, net als hun vader, hun lange leven onder traktement blijven en er (vele) kinderen verwekken. Als arbeiders bevolken die later de fabrieken in Twente, waar de naam Morriën tot op dato nog veel voorkomt.
De oudste zoon, Hendricus Johannes Antonius Morriën junior trouwt in 1840 plechtig in het kerkje van Frederiksoord met Aaltje Grevinga uit Noordwolde. Ze wonen een tijdje in dat dorp, maar keren in 1844 terug naar Veenhuizen, waar hij eerder al eens boekhouder was. Tot groot verdriet sterft hij twee jaar later al in het gevangenisdorp, amper 30 jaar oud. Vrouw Aaltje heeft op dat moment twee levende kinderen. Een derde heeft ze net een maand geleden begraven en ze is zwanger van een vierde.
De Maatschappij van Weldadigheid, we noemden het al, zorgde goed voor trouwe werknemers. Maar voor eventuele weduwen en wezen was er geen geld of plan. Aaltje en haar kinderen moeten Veenhuizen verlaten en keren terug naar Noordwolde – mogelijk naar de beruchte ‘desperado-kolonie’ in Noordwolde-zuid. Aaltje hertrouwt daar ras, in 1848, met de tien jaar jongere Jacobus Philippus Bikkers Bakker, zoon van een veteraan die in de Koloniën opzichter is, maar dat helpt haar niet. Haar tweede kind is, vier jaar oud, inmiddels ook overleden. Met haar oudste dochter Maria - die is dan negen jaar - wordt ze in 1850 in Heereveen opgebracht wegens bedelarij... Ambtenaren van de Maatschappij van Weldadigheid trouwden – ook dat noemden we al - met vrouwen die ze in bewaring hadden. Ging er iets mis, dan gleden die vouwen en hun kinderen net zo gemakkelijk weer af  tot het soort van paupers die de maatschappij juist ‘redden’ wilde. Tussen 1850 en 1857 vertoeft Aaltje met man en kinderen zodoende tot driemaal toe opnieuw in de Koloniën, nu echter als veroordeelde. 

Profane Maria
Maria Morriën, de jonge bedelares, ontmoeten we tien jaar later weer.  Ze is zwanger geworden van Joost Goudriaan, een ongeletterde polderwerker uit Hardinxveld. Zij is 19, hij 26 als hun eerste zoon Henrie geboren wordt. Polderwerkers werken niet alleen in het slijk der aarde, ze zijn het in de ogen van de maatschappij ook. In gevreesde troepen werken ze nu eens hier, dan weer daar, aan dijken, polders, kanalen, sloten (zie o.a. Kop, 1991) Nu is het Veenoord, gemeente Sleen in Drenthe, vlakbij de Duitse grens, waar de kleine Henrie als zuigeling al sterft. Dan is het Goënga, gemeente Wymbritseradiel, waar hun tweede kind Arie (“toevallig” ) ter wereld komt. Een derde kind ziet in Lemmer het levenslicht, een vierde wordt dood geboren in Delden (Stad), terwijl moeder eigenlijk in Zutphen woont. Of althans, dat staat er op papier….

In mijn familie was bekend dat Maria, de moeder van mijn betovergrootvader Arie Morriën ‘iets’ met de Koloniën te maken had, en dat ze ongehuwd moeder was. Waarschijnlijk om dat laatste te vergoelijken deed het gerucht de ronde dat ze zwanger was geworden van een arts in Veenhuizen. Dat is niet aannemelijk. Van de eerste twee kinderen doet stoere Joost aangifte. Van het derde en vierde niet, maar dat laatste kind wordt wel in zijn huis in Delden geboren. Hij is de vader. Op haar 18e is ze met hem mee gegaan, hebben samen kinderen gekregen, en hebben de moeite niet genomen om te trouwen. Op het platteland was het sowieso gebruikelijk om pas te trouwen als een vrouw zwanger was – of al een eerste kind had. In de stad was het in de volksklassen zelfs niet ongebruikelijk om pas na een paar kinderen een huwelijk aan te gaan.  En bij polderwerkers, het schuim der aarde, dat woonde in karren en keten op of langs de dijken, gold anno 1860 sowieso god noch gebod. Trouwen deden ze 'over de puthaak', dat wil zeggen, volgens een eigen ritueel met zeer veel drank en gezelligheid, maar zonder wet of kerk (Kok, 1991, 111-112)

Wederopstanding?
Bij de geboorte van haar laatste, levenloze kind komt Maria, 23 jaar jong, zelf te overlijden. Althans, zo staat dat in de boeken. Stiefvader Jacobus Philippus Bikkes Bakker doet op 16 februari 1865 in Delden aangifte van twee gelijktijdige overlijdens, de dag ervoor. Stoere Joost is bij die aangifte niet meer van de partij. Hij trouwt zes maanden later in Delden met een andere vrouw, verwekt bij haar een kind, verhuist naar Enschede, verdwijnt dan weer met onbekende bestemming en verdrinkt in 1868 in een polder bij Nieuweschans, in Groningen dus. Einde verhaal?

In registers die onlangs digitaal zijn vrijgegeven, duikt Maria Morriën, geboren 20 mei 1841 te Noordwolde, zeven jaar na haar dood plotseling weer op. Zij of haar dubbelgangster woont dan samen met de twintig jaar oudere Gijsbert van Veen in een huis in Overschie. Het paar verhuist naar Rotterdam, keert weer terug naar Overschie, en trekt tenslotte toch naar Rotterdam, waar Gijsbert in 1882 in een huis aan de Coolsingel komt te overlijden. Van Maria ontbreekt daarna weer elk spoor.

Ook deze Gijsbert van Veen (1819 – 1882) was een kolonist. Na een verblijf van onbekende duur in de bedelaarskolonie Ommerschans keert hij in 1864 terug naar zijn vrouw in Veen (Noord Brabant). In 1869 verlaat hij haar weer en trekt hij naar Delft om daar nering te doen als koopman. In 1872 duikt hij, als gezegd, op in Overschie – buitenechtelijk samenwonend met de - doodverklaarde - Maria Morrien.


bedelaarskolonie Ommerschans

Als die in 1865 inderdaad in Delden is overleden, dan hebben we hier te maken met een 19e eeuws geval van identiteitsfraude. Gijsbert woont samen met een andere vrouw dan waarmee hij getrouwd is en laat haar zich inschrijven als de overleden Maria. Familie van deze onfortuinlijke Morriën heeft hij zeker ontmoet in Ommerschans, en misschien kende hij de jongedame in kwestie persoonlijk wel.

Mogelijk, maar hoogst speculatief, is de theorie dat Maria in 1865 helemaal niet overleden is, maar door haar stiefvader wel heel letterlijk is doodverklaard. Over redenen daarvoor kunnen we alleen gissen: om haar een kans te geven op een nieuwe start, zonder stoere Joost? Om haar te dwingen, qua schande, om zich elders te vestigen? Om andere, onnavolgbare redenen? Het is wachten op het vrijkomen van nieuwe akten, maar mogelijk – en zeer waarschijnlijk - zullen we het nooit weten.

Feit is dat mijn betovergrootvader Arie niet bij zijn moeder Maria, maar bij zijn oma Aaltje Grevinga en zijn stiefopa Jacob Bikkers Bakker, later ook bij diens tweede vrouw in Enschede opgroeide. Als stoker bij de marine kwam hij terug naar Amsterdam en trouwde er de dochter van een kroegbaas. Zijn zoons en kleinzoons werden er – speling en lot – vrijwel allemaal grond- en polderwerker.

Juni 2018

Alderik Visser,
met dank aan Paul Morriën

Kok, J. (1991). Langs verboden wegen. De achtergronden van buitenechtelijke geboorten in Noord-Holland 1812 - 1914.

zondag 21 februari 2016

Persoonsvorming

in antwoord op Ton van Haperen

Het ware doel van de mens – niet dat wat wisselende neigingen, maar dat wat het eeuwig onveranderlijke verstand hem ingeeft – is de hoogste en meest proportionele vorming van zijn krachten tot een geheel. Voor deze vorming is vrijheid de eerste en meest vitale voorwaarde. Naast die vrijheid heeft de ontwikkeling van mensen nog een ander ding nodig, hoewel dat nauw met die vrijheid verbonden is: veelvormigheid van situaties (Humboldt 1792, 22; Vertaling AV)


In het rijtje critici van het eindadvies Ons Onderwijs 2032 voegde zich deze week ook beroepsoptimist Ton van Haperen. In het rapport wordt aanbevolen ‘persoonsvorming’ als doel van onderwijs op te nemen en systematieken te ontwerpen rond de ‘merkbaarheid’ van dit aspect. Volgens Ton is dit staatspedagogiek met totalitaire trekjes: in Noord Korea, daar houdt de staat zich met persoonsvorming bezig. In Nederland moeten we dat dus niet willen en/of doen.

stroman
Dit argument, dat Karin den Heijer eerder ook al op twitter opwierp, is een beetje krommig. Ja, in Noord Korea worden noord-koreaanse persoonlijkheden gevormd. In dat land houdt de staat zich ook heel nadrukkelijk bezig met de socialisatie van jonge noord-koreaantjes, en ja, zelfs feiten kennen een noord-koreaanse variant. Is de implicatie dan dat de overheid in z’n geheel geen zeggenschap zou hebben over wat er op scholen geleerd wordt - want indoctrinatie?
Blijkbaar niet, want Ton gaat er heel gemakkelijk van uit dat socialisatie en kwalificatie wel ‘als vanzelfsprekend’ van overheidswege georganiseerd kunnen worden. Welnu, zeker in Nederland is zo'n ‘staatsburgerlijke’ opvoeding heel lang heel erg omstreden geweest, maar er toch langzaam ingeslopen (in het geschiedenisonderwijs, bijvoorbeeld) en ja, daarin is zeker plek voor specifiek ‘Nederlandse’, d.w.z. nationaal gelegitimeerde kennis J. Behalve krom dus ook nogal oppervlakkig, die column, en lekker inhakkend op een stroman. Want waar staat dan precies dat de staat zulke of gene mensen wil kweken? 

totalitarisme als kitsch: Sloveense band Laibach in Pyongyang
theorie
Paul Schnabel bedacht voor '2032' de slogan ‘vaardig, aardig en waardig’ voor de drie functies die onderwijs traditioneel (!) heeft. Her en der wordt die triade vereenzelvigd met het werk van Gert Biesta, maar op zich is hij al veel ouder. In zijn Vorlesungen uber Paedagogik (1803)  onderscheidt Immanuel Kant bijvoorbeeld naast opvoeding (in de zin van fysieke instandhouding (Wartung)) ook vorming (Bildung). Die vorming omvat dan weer drie aspecten, te weten disciplinering, cultivering (inclusief ‘civilisering’) en de moralisering van kinderen en jongeren. 
Die drie aspecten of doelen verwijzen binnen het strenge systeem van Kant de facto allemaal naar zowel socialisatie als naar individuatie of persoonsvorming, doordat het individu de regels van het verstand / de mensenmaatschappij immers heel diep moet verinnerlijken. Interessant is hier het aspect ‘cultivering’ dat dan beide, geheel in de traditie van Humboldt en, later, die van John Stuart Mill (1859), ook aan intellectuele vorming koppelt. Door actief in dialoog te gaan met een breed aanbod aan culturele artefacten ontwikkelt de kwekeling niet alleen kennis van / begrip voor beschaving, maar leert hij ook zijn eigen voorkeuren en kwaliteiten, en zo zichzelf kennen.

praktijk
In Nederland werd er honderdvijftig jaar geleden ook al  flink gedebatteerd over het curriculum. Op de lagere school werd dat uitgebreid met vakken als Aardrijkskunde en Kennis der Natuur. In het VO kwamen naast de Gymnasia ook de Hogere Burgerscholen. Lang is aangenomen dat in deze curriculumdebatten socialisatie en kwalificatie de enige argumenten vormden: kinderen moesten anno 1857 ook beter toegerust de arbeidsmarkt op, en bovendien nog altijd streng opgevoed tot deugdzaamheid en maatschappelijkheid. Nieuw historisch onderzoek (Stolk 2015, 141-144) werpt er een ander licht op: onderwijzers, predikanten, atheïsten en anderen droegen daar ook toen nadrukkelijk een derde motief aan bij: op school zou het moeten gaan om menswording, om algemene vorming, waarin behalve het verstandelijke element ook het zedelijke, het godsdienstige, en het esthetische aspect een plek zou moeten krijgen. Vanaf ca. 1900 kwam daar ook nog het tactiele element bij (sloejd, dwz. handenarbeid), zodat we in Nederland – in de Mammoetwet nota bene – eerder al een andere triade hebben laten vastleggen – te weten die van ‘hoofd, hand en hart’ (Ligthart, eigenlijk Pestalozzi).

bildung
Ton suggereert nu dat Ons Onderwijs 2032 ‘plotseling’ persoonsvorming tot staatszaak maakt: afvinken of leerlingen wel of niet over 21st century of soortgelijke skills beschikken. Volgens mij staan zulke skills nadrukkelijk niet zo genoemd in het rapport, en wordt het afvinken even nadrukkelijk vermeden. Maar waar het me om gaat: persoonsvorming is al tenminste sinds 1857 doel van (uitgebreid) lager onderwijs, en sinds de Mammoetwet ook van Middelbaar en Hoger Algemeen Vormend Onderwijs. Niet als leerlijn in ‘creativiteit’, nee, een ook niet als verwachting van zulke of gene burgers met van overheidswege vastgelegde competenties. God beware. Wel in de hoop op volwaardige, vrije burgers die zich in de breedte en de diepte hebben kunnen ontwikkelen; die een uitgebreid, afgewogen pakket aan leerlinhouden voor de kiezen hebben gekregen waaraan zij hun interesses en attitudes hebben kunnen toetsen, scherpen, en waardoor zij zichzelf als mens hebben kunnen ontwikkelen.

Dat klinkt hoogdravend en dat is het ook. Maar dat is sinds de Verlichting wel wat we als liberale samenleving ook van onderwijs hopen en verwachten. Von Humboldt, die hierboven 'vrijheid' als zowel doel als middel van 'menswording', van persoonlijke ontwikkeling dus poneert, hangt daar een staatsleer aan vast: teveel staatsbemoeienis (zorg voor positief welzijn) zou vrijheid en veelheid aan ervaringen in gevaar kunnen brengen. Alleen een liberale staat, gericht op bescherming van burgers, maakt vrijheid door vrijheid mogelijk. Maar dat kan alleen als die burgers in staat worden gesteld zich optimaal te vormen - als burger dus, en als persoon (Humboldt 1792, 22-57). 
Zulk bildungsoptimisme is de laatste decennia wat op de achtergrond geraakt, maar steekt nu blijkbaar weer de kop op; in het debat over onderwijs2032, ja, maar ook in de bredere pedagogische openbaarheid - bijvoorbeeld rond de rol van waarden bij het 'dealen' met geweld en radicalisering. Op de scholen waar ik de laatste tijd gewerkt heb klagen leerlingen over het vak economie, bijvoorbeeld, dat het alleen maar gaat om sommetjes, om het oefenen voor examens. Dat er ook iets anders denkbaar is dan alleen markteconomie, en dat het daarover heel fijn discussiëren is, omdat economie uiteindelijk niets is dan gestolde moraalfilosofie, daar kijken ze vaak oprecht van op - over veelheid aan ervaringen gesproken. Maar goed. Over 2032, bildungsoptimisme en persoonsvorming kan en mag je natuurlijk van alles van vinden. Maar dat het nieuw zou zijn, en noodzakelijk of zelfs maar tendentieel totalitair, dat is vanuit het standpunt van de geschiedenis en de opvoedfilosofie echt baarlijke nonsens. 

Alderik Visser

Februari 2016

Humboldt, W. von (1792). Ideen zu einem Versuch, die Grenzen der Wirksamkeit des Staats zu bestimmen. Stuttgart: Reclam (2006)
Mill, J.M. (1859). On Liberty. London, New York: Everyman's Library (1913)  m.n. pp. 114-15
Stolk, V. (2015). Tussen Autonomie en Humaniteit. De geschiedenis van het levensbeschouwelijke humanisme in relatie tussen opvoeding en onderwijs tussen 1850 en 1970. Breda: Papieren Tijger


maandag 21 december 2015

VerwonderenderWijs

Filosofie en Onderwijs

Op 30 januari aanstaande presenteren we in Leusden ons boek Verwonderenderwijs – Filosofie en onderwijs. Voor ons, de samenstellers, is dat een bijzonder moment. Maar we denken oprecht dat het ook een belangrijk moment is voor ons werk, voor onze passie – het verzorgen van filosofieonderwijs.

Allereerst is het boek een resultaat van een bijzonder initiatief. Met een groep docenten, verzameld tijdens de Nationale Filosofie Olympiade 2015, vatten we het plan op om een weekend ook zelf essays te gaan schrijven. En dat hebben we vier maanden later ‘gewoon’ gedaan :).Twintig docenten filosofie in het VO die in hun vrije tijd samen gaan zitten om te praten en te schrijven over hun werk. Een mooie ervaring was dat - maar ook een nuttige, een inspirerende: als het over ons onderwijs gaat nemen we graag zelf en samen het woord ...

Het resultaat is, ten tweede, een belangrijk mo(nu)ment voor onze professie en haar professionaliteit. Het schrijfweekend zelf, natuurlijk bij de ISVW te Leusden, was en werkte als een soort van autonoom scholingstraject. Dat mondt nu uit in een bundel essays waarin een reeks aan perspectieven wordt geschetst van wat filosofie en wat onderwijs –los van elkaar en in combinatie – zouden kunnen en moeten zijn. Daarmee haken we aan en lopen vooruit op gaande en komende debatten over curricula in het algemeen, het filosofiecurriculum in het bijzonder, de rol van vakdocenten bij curriculum-ontwikkeling en op school, enzovoorts. We tonen daarmee aan dat we een volwassen, gevarieerde, kritische en meer professionele beroepsgroep zijn geworden.


Als de tekenen ons niet bedriegen dan lijken we, tenslotte, op een kantelpunt terecht gekomen. Tot dusverre is het schoolvak filosofie in het vo nog altijd een ‘klein’ vak, een keuzevak met een bestaan in de marge van de bovenbouw van een beperkt aantal scholen. De tendens is er een van krimp eerder dan van groei. Tegelijk is er onmiskenbaar veel belangstelling voor filosofie en ‘filosoferen’ in de breedste zin, in de samenleving en in het onderwijs. Zo lijkt er ook sprake van onstuimige groei van filosofie / filosoferen als praktijk in de onderbouw van havo en vwo, in het vmbo, in het mbo, het hbo. 

De roep om meer ‘waarde(n)vol’  onderwijs, de roep om bildung klinkt  overal, zo lijkt het, en filosofie, al dan niet verkleed als kritisch denken of diepe reflectie, wordt vaak aangeroepen om daarbij te hulp te komen. Het is een open vraag of het schoolvak filosofie al de vele impliciete en expliciete verwachtingen kan inlossen die aan haar worden gesteld, zij dat ueberhaupt zou moeten willen. Kritisch en zelfkritisch gaan we in onze bundel op deze verwachtingen in – en openen we daarmee ook het debat over wat (filosofie)onderwijs wel en niet vermag.

Dat is allemaal interessant voor filosofiedocenten in het vo, zou je zeggen, maar wat kan ik ermee? Wel: de discussie zoals die zich in de bundel ontvouwt gaat inderdaad over filosofie in het vo, maar gaat tegelijk diep in op aangrenzende terreinen en problemen. Aan bod komen dus ook vragen naar zin en doel van onderwijs in het algemeen, over de rol van moraal en levensbeschouwing in het onderwijs, de rol van filosofie in het po en het mbo. Behalve bespiegelend is de bundel ook concreet, en gaat bijvoorbeeld uitgebreid in op een mogelijke taxonomie van denkvaardigheden. VerwonderenderWijs is daarmee weliswaar onze bundel, maar is er ook voor jou, voor iederen die geïnteresseerd is in onderwijs, filosofie, reflectie, levensbeschouwing en waarden.


Samenstellers: Alderik Visser en Frans Kusters (red.)
Met bijdragen van: Hubertus Bahorie, Desiree Berendsen, Marijne van Dam, Frans van Dorp, Lieke Hendriks, Tanja van Hummel, Mirjam Jorink, Frans Kusters, Don Kwast, Ine Raangs, Floor Rombout, Joan de Ruijter, Jaron Daniël Schoone, Yoram Stein, Martin Struik, Floris Velema, Alderik Visser en een nawoord van Gert Biesta.
Vormgeving: Henk Droog | Platland

1e druk:
© ISVW Uitgevers, Leusden 2015 ISBN: 978-94-91693-70-0
NUR: 730 


30 januari 2016 – Boekpresentatie VerwonderenderWijs - Filosofie en Onderwijs – ISVW Leusden 11.00 uur

1 april 2016 – Symposium Filosofie en Onderwijs – Wolfert TTO Rotterdam 10.00 uur (onder voorbehoud)

bestel het boek
  • direct bij het ISVW
  • bij je favoriete lokale boekhandel